id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230206.3N.5 Rolnummer: S.18.0095.N Zaak: ROBERT HALF BV contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2023-03-24 Raadplegingen: 1117 - laatst gezien 2026-06-19 04:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet vereist niet dat de werkgever schade heeft geleden door de ernstige tekortkoming van de werknemer
(1); niets belet evenwel dat de rechter bij de beoordeling van de aangevoerde tekortkoming ook nagaat of zij aan de werkgever nadeel heeft berokkend of dat hij daardoor schade heeft geleden
(2).
(1)Cass. 6 maart 1995, AR S.94.0071.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950306.9, AC 1995, nr. 133; Cass 9 maart 1987, AR 7769, AC 1986-1987, nr. 407.
(2)Cass. 28 april 1997, AR S.96.0148.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970428.6, AC 1997, nr.
- Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Nr. S.18.0095.N ROBERT HALF bv, met zetel te 1702 Groot-Bijgaarden, Stationsstraat 34, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0440.965.760, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen K.D.P., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 34, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 29 juni
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Ontvankelijkheid van het middel
- De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel komt op tegen de beoordeling in feite van de appelrechters dat de aanzienlijke schade die de eiseres heeft geleden in deze zaak niet relevant is bij de beoordeling van de ernst van de als dringende reden ingeroepen feiten.
- Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Gegrondheid
- Artikel 35, eerste en tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat elke partij de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn kan beëindigen om een dringende reden die aan de rechter wordt overgelaten, waarbij onder dringende reden wordt verstaan: de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Uit die bepaling volgt dat de feitenrechter op onaantastbare wijze oordeelt of tekortkomingen al dan niet voldoende ernstig zijn om elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer definitief onmogelijk te maken, mits hij het begrip “dringende reden” niet miskent.
- Het feit dat het ontslag zonder opzegging rechtvaardigt, is de tekortkoming met in achtneming van alle omstandigheden die daarvan een dringende reden kunnen maken. Artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet vereist niet dat de werkgever schade heeft geleden door de ernstige tekortkoming van de werknemer. Niets belet evenwel dat de rechter bij de beoordeling van de aangevoerde tekortkoming ook nagaat of zij aan de werkgever nadeel heeft berokkend of dat hij daardoor schade heeft geleden.
- De appelrechters achten het bewezen dat: - de verweerster minstens medeverantwoordelijk was voor het tijdig indienen van de Btw-aangifte van R.H. Sarl bij de Luxemburgse administratie; - de verweerster nagelaten heeft de Btw-aangifte van R.H. Sarl voor het jaar 2010 tijdig bij de Luxemburgse administratie in te dienen; - zij haar overste niet op de hoogte heeft gebracht van de boete wegens laattijdige aangifte die door de Luxemburgse Btw-administratie werd opgelegd en de betaling van de boete heeft goedgekeurd en laten uitvoeren; - zij haar overste niet onmiddellijk op de hoogte heeft gebracht van de ambtshalve aanslag voor een bedrag van 72.195,18 euro en evenmin van de eerste herinnering die is binnengekomen vóór haar zwangerschapsrust; - zij niet het nodige heeft gedaan om deze ambtshalve aanslag te betwisten; - zij geen provisie heeft aangelegd overeenkomstig de interne regels van de bv, en oordelen dat het niet ernstig kan betwist worden dat het geheel van deze fouten beroepsfouten bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zijn die getuigen van een gebrek aan beroepsernst.
- De appelrechters achten het ook bewezen dat de eiseres ten gevolge van deze feiten aanzienlijke schade heeft geleden, maar oordelen dat dit niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag om dringende reden op grond dat de dringende reden niet moet worden beoordeeld aan de hand van het bestaan of de omvang van de eventuele schade die de werkgever ten gevolge van de tekortkoming heeft geleden.
- De appelrechters die weigeren de door de eiseres ingeroepen aanzienlijke schade te betrekken in de beoordeling van de ernst van de bewezen feiten die als dringende reden werden aangevoerd, miskennen hiermee het begrip “dringende reden” en verantwoorden zodoende hun beslissing dat de aan de verweerster verweten feiten de professionele samenwerking wellicht wel op termijn, maar niet onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230206.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950306.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970428.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div