← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 1

, eerste aanvullend protocol - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 5 De rechtsonbekwaamheid van de beschermde persoon om een schenking of een legaat te vermaken in het voordeel van de bewindvoerder en tegelijk de rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, zoals bedoeld in artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, vertoont geen absoluut karakter niet alleen voor de niet-professionele bewindvoerders die een nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon in de zin van artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek, maar ook voor andere niet-professionele bewindvoerders die een nauwe of affectieve band hebben met de beschermde persoon. Thesaurus CAS: ONBEKWAAMVERKLARING EN GERECHTELIJK RAADSMAN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 908 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 909, derde lid, 2° en 3° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0530.N

  1. D.B.,
  2. P.B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen K.D.W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 juni
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 januari 2023 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 5 januari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 902 Oud Burgerlijk Wetboek kunnen alle personen beschikken en verkrijgen, hetzij bij schenking onder de levenden hetzij bij testament, uitgezonderd degenen die de wet daartoe onbekwaam verklaart. Krachtens artikel 905 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, kan de persoon die op grond van artikel 492/1 onbekwaam is verklaard om te beschikken, hetzij bij schenking onder de levenden hetzij bij testament, toch beschikken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon. Hij mag de machtiging om te schenken weigeren indien de schenking de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden behoeftig dreigt te maken. Artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt: “De in boek 1, titel XI, hoofdstuk II/1, bedoelde bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, kunnen geen schenking of legaat ontvangen van de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie hij dit mandaat uitoefent. De uitzonderingen bepaald in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, zijn van overeenkomstige toepassing.” De in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen zijn respectievelijk “de algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort” en “de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de beschikker een feitelijk gezin vormt”. Artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt: “Met uitzondering van de echtgenoot of echtgenote, kan de bewindvoerder geen goederen van de beschermde persoon verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve na bijzondere machtiging verleend door de vrederechter overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling goedgekeurd overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij kan de goederen van de beschermde persoon slechts in huur nemen als de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur.”
  5. Artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek strekt tot bescherming van de beschermde persoon in de zin van artikel 488/1 Oud Burgerlijk Wetboek tegen beïnvloeding door de bewindvoerder die als gerechtelijke opdrachthouder zichzelf voordeel zou willen verschaffen. Die bescherming berust op de onderstelling dat de bijzondere gezags- en machtspositie van de bewindvoerder tegenover de beschermde persoon dan wel hun onderlinge vertrouwensrelatie verhinderen dat de beschermde persoon een volkomen en vrije wil kan vormen om de bewindvoerder te begiftigen. De wetgever vermoedt op onweerlegbare wijze een onrechtmatige beïnvloeding om de schenking of het legaat te vermaken. De wetgever vermoedt meer bepaald dat de schenking of het legaat is tot stand gekomen onder invloed van vermogens- of erfenisbejaging, zodat de toestemming van de beschermde persoon is behept met een gebrek. Hieruit volgt, in de regel, de rechtsonbekwaamheid van de beschermde persoon om een schenking of een legaat te vermaken in het voordeel van de bewindvoerder en tegelijk de rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen. Uitzonderingen gelden overeenkomstig artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek ingeval de bewindvoerder een nauwe bloedverwant of partner is van de beschermde persoon.
  6. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en de samenhang van de bij deze wet ingevoerde artikelen 908 en 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek volgt dat artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek geen afbreuk doet aan de in artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtsonbekwaamheid, zo evenmin dat de in artikel 499/10 bedoelde vrederechterlijke machtiging een bijkomende uitzondering vormt op deze rechtsonbekwaamheid, naast de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen.
  7. De sanctie wegens miskenning van het in artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde verbod is de relatieve nietigheid van de schenking of het legaat, die kan worden gevorderd door de beschermde persoon en door zijn rechtsopvolgers.
  8. De met toepassing van artikel 905 Oud Burgerlijk Wetboek door de vrederechter aan de beschermde persoon verleende machtiging om te schenken of legateren aan de bewindvoerder, verhindert niet de nietigverklaring ervan op grond van artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek.
  9. Daar waar artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek een absoluut verbod inhoudt voor de bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, gesteund op voormeld onweerlegbaar vermoeden van vermogens- of erfenisbejaging, verzoekt de verweerder het Hof twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Die vragen betreffen de verenigbaarheid van artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek, in de gegeven interpretatie, met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM. Er is grond om de hierna in het dictum weergegeven prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vragen: 1) “Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in zoverre het de bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl de bewindvoerder krachtens artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek wel op een andere wijze dan bij schenking of legaat goederen van de beschermde persoon kan verkrijgen mits vrederechterlijke machtiging?” 2) “Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in zoverre het de niet-professionele bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, maar die wel een nauwe of affectieve band heeft met de beschermde persoon, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl het de bewindvoerder die wel valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen en zodoende een nauwe bloedverwant of partner is van de beschermde persoon, rechtsbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230206.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230206.3N.6 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240909.3N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.