← België

L. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1 Rolnummer: P.22.1083.N Zaak: L. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 930 - laatst gezien 2026-06-19 03:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 Fiches 1 - 2 Artikel 37, § 1 en § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is de omzetting in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten; in een arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 27, 3, c, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel; zodoende wordt het specialiteitsbeginsel niet miskend doordat de voorlopige hechtenis van een overgeleverde verdachte wordt gehandhaafd wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een geheel van feiten gepleegd vóór zijn overlevering, waarvan bepaalde feiten wel en andere feiten niet zijn vermeld in het Europees aanhoudingsbevel

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 2 en 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 2 en 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 3 Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals deze die, al dan niet na een debat, enkel conclusietermijnen bepalen overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering of de zaak enkel uitstellen, vallen niet onder de toepassing van artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; die beslissingen vereisen als dusdanig immers niet dat de rechters die ze uitspreken kennis nemen van de zaak met het oog op de beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Wanneer een rechtscollege, samengesteld uit een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak en twee rechters die dat niet hebben gedaan, in het verleden heeft geoordeeld dat de zaak op dat moment niet in staat van wijzen was, kan een partij daaruit geen miskenning van haar recht op een eerlijk proces afleiden, noch een schijn van partijdigheid of afhankelijkheid van die twee rechters, wanneer hetzelfde rechtscollege, ditmaal samengesteld uit die twee rechters en een andere rechter bij wie de vermelde onverenigbaarheid evenmin bestaat, bij de latere beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering en op grond van de alsdan voorliggende gegevens hebben geoordeeld dat de zaak wel in staat van wijzen was; speculaties over wat de rechters tijdens het beraad voorafgaand aan de beslissing of beslissingen tot het verlenen van uitstel zouden hebben gezegd en over de mogelijke impact daarvan op de latere eindbeslissing, doen daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 292, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1083.N M. R. H. L., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen
  1. P. R.,
  2. N. G.,
  3. W. B,
  4. S. H.,
  5. G. B.,
  6. M. R.,
  7. F. B.,
  8. WEALTH SURPLUS INVESTMENTS EOOD, met zetel te Sofia (Bulgarije), Moskovska Street 21B,
  9. G. H.,
  10. B. D. V.,
  11. P. D.,
  12. N. A.,
  13. R. C.,
  14. H. V. L.,
  15. A. V.,
  16. R. S.,
  17. M. V.,
  18. V. D. S., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 juni 2018 (hierna arrest I) en 27 juni 2022 (hierna arrest II). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. Op 29 november 2022 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 7 februari 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  19. Overeenkomstig artikel 416 Wetboek van Strafvordering kunnen de partijen slechts cassatieberoep instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben. In zoverre gericht tegen de beschikkingen van het arrest II die de eiseres vrijspreken van de telastleggingen B.8 en D en haar deels vrijspreken van de telastleggingen B.6 en B.9, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  20. Overeenkomstig artikel 424 Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep van een beklaagde worden ingesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van verzet door de burgerlijke partij ten aanzien waarvan de beslissing bij verstek is gewezen.
  21. Het arrest II is bij verstek gewezen ten aanzien van de verweerders 1 tot 8 en 10 tot
  22. Het cassatieberoep dat tegen die verweerders is ingesteld binnen de gewone termijnen van verzet, is niet ontvankelijk. Eerste middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest I oordeelt dat het specialiteitsbeginsel de vervolging van de eiseres niet belet voor de andere telastleggingen (A, B.5 tot B.11, C en D) dan deze (B.1 tot B.4) waarop haar overlevering betrekking heeft, aangezien er enkel voor de telastleggingen B.1 tot B.4 vrijheidsberovende maatregelen zijn opgelegd; de voorlopige hechtenis van de eiseres is echter ook gehandhaafd wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld voor de telastleggingen A, B.5 tot B.11, C en D; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent van 20 april 2017 en verantwoordt het de beslissing niet naar recht.
  24. In zoverre het middel betrekking heeft op de telastlegging D, met betrekking waartoe het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.
  25. Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Een persoon overgeleverd op grond van een Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.” Artikel 37, § 2, 3°, van dezelfde wet bepaalt dat die regel niet van toepassing is ingeval “de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt”.
  26. Het arrest I (p. 29) oordeelt dat de strafvervolging voor de telastlegging A (gebruik van een vals stuk) betrekking heeft op feiten van na de overlevering. Daarop kan het vermelde specialiteitsbeginsel dan ook niet van toepassing zijn.
  27. Artikel 37, § 1 en § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is de omzetting in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
  28. In een arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 27, 3, c, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel. Zodoende wordt het specialiteitsbeginsel niet miskend doordat de voorlopige hechtenis van een overgeleverde verdachte wordt gehandhaafd wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld met betrekking tot een geheel van feiten gepleegd vóór zijn overlevering, waarvan bepaalde feiten (hier de telastleggingen B.1 tot B.4) wel en andere feiten (hier de telastleggingen B voor het overige en C) niet zijn vermeld in het Europees aanhoudingsbevel.
  29. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  30. In zoverre het middel aan het arrest I verwijt de bewijskracht van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent van 20 april 2017 te miskennen door te oordelen dat de voorlopige hechtenis van de eiseres enkel is gehandhaafd voor de telastleggingen B.1 tot B.4, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  31. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 793 Gerechtelijk Wetboek: het arrest I oordeelt dat de motivering van de arresten van 8 januari 2018 en 26 februari 2018, waarbij werd geoordeeld over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van de eiseres, niet verwijst naar de telastleggingen waarvoor de eiseres niet werd uitgeleverd; aldus geeft het arrest I een beperkende uitlegging aan de bewoordingen van deze arresten, die zijn gewezen in een andere samenstelling (eerste onderdeel); de appelrechters hebben de eiseres niet in kennis gesteld van deze uitlegging en zij hebben de eiseres daarover niet gehoord (tweede onderdeel).
  32. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 101 en 828 Gerechtelijk Wetboek: raadsheer P.C. heeft in haar voormalige hoedanigheid van substituut procureur-generaal op de rechtszitting van 7 mei 2018, dit is voorafgaand aan het arrest I, gevorderd de zaak van de eiseres in staat van wijzen te verklaren en het beroepen vonnis te bevestigen; die raadsheer heeft eveneens deel uitgemaakt van de zetel die de zaak van de eiseres heeft behandeld op de rechtszittingen van 17 juni 2019, 19 november 2019, 9 maart 2020, 4 mei 2020, 29 juni 2020 en 31 mei 2021, naar aanleiding waarvan is beraadslaagd over een van de door de eiseres aangevoerde middelen, namelijk dat de zaak diende te worden uitgesteld omdat zij niet in staat van wijzen was in afwachting van de uitvoering van de bijkomende onderzoekshandelingen bevolen bij het arrest I; het arrest II, gewezen in een andere samenstelling, verwerpt het verzoek van de eiseres tot het verkrijgen van verder uitstel met het oog op bijkomend onderzoek en oordeelt dat de zaak in staat van wijzen is; de eiseres kan niet de impact kennen die raadsheer P.C. heeft gehad op de beraadslaging van de voorheen samengestelde zetel; de zetel was onregelmatig samengesteld, wat een weerslag heeft op de vereiste schijn van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de overige raadsheren die mee het arrest II hebben gewezen; het recht op een eerlijk proces van de eiseres is miskend.
  34. Artikel 101 Gerechtelijk Wetboek is vreemd aan de aangevoerde grief.
  35. Artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Nietig is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak.”
  36. Beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals deze die, al dan niet na een debat, enkel conclusietermijnen bepalen overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering of de zaak enkel uitstellen, vallen niet onder de toepassing van deze bepaling. Die beslissingen vereisen als dusdanig immers niet dat de rechters die ze uitspreken kennis nemen van de zaak met het oog op de beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering.
  37. Wanneer een rechtscollege, samengesteld uit een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak en twee rechters die dat niet hebben gedaan, in het verleden heeft geoordeeld dat de zaak op dat moment niet in staat van wijzen was, kan een partij daaruit geen miskenning van haar recht op een eerlijk proces afleiden, noch een schijn van partijdigheid of afhankelijkheid van die twee rechters, wanneer hetzelfde rechtscollege, ditmaal samengesteld uit die twee rechters en een andere rechter bij wie de vermelde onverenigbaarheid evenmin bestaat, bij de latere beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering en op grond van de alsdan voorliggende gegevens hebben geoordeeld dat de zaak wel in staat van wijzen was. Speculaties over wat de rechters tijdens het beraad voorafgaand aan de beslissing of beslissingen tot het verlenen van uitstel zouden hebben gezegd en over de mogelijke impact daarvan op de latere eindbeslissing, doen daaraan geen afbreuk.
  38. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  39. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de zesde kamer van het hof van beroep, in de samenstelling met raadsheer P.C., op de rechtszitting van 29 juni 2020 conclusietermijnen heeft bepaald en de rechtsdag heeft bepaald op 7 december
  40. Uit die stukken blijkt verder dat de zesde kamer, in die samenstelling, de zaak enkel heeft uitgesteld zonder tot een inhoudelijke behandeling ervan te zijn overgegaan, in het bijzonder omdat de bij het arrest I bevolen onderzoekshandelingen nog niet of nog niet geheel waren uitgevoerd. Uit niets blijkt daarentegen dat raadsheer P.C. alsdan een mening over de schuld van de eiseres zou hebben kenbaar gemaakt aan de overige raadsheren, die deze laatsten zou hebben beïnvloed bij een latere beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  41. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest II verklaart de telastlegging B.11 (oplichting) bewezen louter op grond van de gegevens verschaft door de verweerder 14, de verklaring van P.D., die wijzen op de weerkerende modus operandi gehanteerd door de eiseres, het bijgebrachte e-mailverkeer en de resultaten van het bankonderzoek; daaruit blijkt niet dat het arrest het bestaan van listige kunstgrepen vaststelt.
  42. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen.
  43. De rechter oordeelt onaantastbaar of die constitutieve bestanddelen van de oplichting in de persoon van de beklaagde zijn verenigd. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet specifiek motiveren waarom aan elk van die constitutieve bestanddelen is voldaan. Wel gaat het Hof na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  44. Het arrest II stelt onder meer vast dat de verweerder 14 een bedrag van 6.000,00 euro heeft overgeschreven op de rekening van de eiseres als voorschot op de aankoop van een woning in …, dat de eiseres dat geld niet heeft terugbetaald aan de verweerder 14 ondanks haar belofte daartoe, dat de verkopers om een onbekende reden niet meer wensten over te gaan tot verkoop, dat de eiseres zich het geld kort na de overschrijving door de verweerder 14 heeft toegeëigend door het in schijven van haar rekening te halen en dat de eiseres niet aannemelijk maakt dat zij het geld heeft overgemaakt aan D.M. Het arrest II leidt verder uit de in het middel vermelde gegevens af dat de eiseres valselijk aan de verweerder 14 heeft voorgehouden dat zij de aankoop van een appartement in … kon realiseren, terwijl zij louter de bedoeling had zich het geld van de verweerder 14 toe te eigenen en voor persoonlijke doeleinden aan te wenden. Het verwijst daarvoor naar de modus operandi van de eiseres zoals het die heeft omschreven bij het bewezen verklaren van andere telastleggingen inzake oplichting. Daaruit kan het arrest II wettig afleiden dat de eiseres schuldig is aan de telastlegging B.
  45. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  46. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel
  47. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest II oordeelt dat de eiseres de telastlegging B.6 met het vereiste opzet heeft gepleegd omdat de stelling van de eiseres dat de verweerster 12 de akte niet langer wou verlijden niet ernstig is aangezien die verweerster anders de gelden niet zou hebben overgeschreven; daarmee miskent het arrest de in de appelconclusie van de eiseres geciteerde verklaring van de verweerster 12 dat zij zelf niet meer wilde doorgaan met de aankoop.
  48. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg afleidt, miskent de bewijskracht van die akte niet.
  49. Met de bekritiseerde beslissing geeft het arrest geen uitlegging van de verklaring van de verweerster 12, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
  50. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest II verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging B.9, omschreven als oplichting van de verweerder 13 voor een bedrag van 82.645,00 euro, betaald voor de aankoop van een huis in …; het arrest II oordeelt dat de verweerder 13 een totaal bedrag van 63.275,00 euro heeft overgeschreven op een rekening van een vennootschap van de eiseres en dat hij een contant bedrag van 20.000,00 euro heeft overhandigd aan een bankdirecteur in ..., die het op de rekening van de verweerder 13 heeft gestort; het arrest II, dat de saisine van de appelrechters beperkt acht tot het vermelde bedrag van 82.645,00 euro, spreekt de eiseres vrij van de telastlegging B.9 voor een bedrag van in totaal 30.000,00 euro omdat de eiseres dit bedrag wel aan de verkoper zou hebben betaald en verklaart dienvolgens die telastlegging bewezen voor een saldobedrag van 52.645,00 euro; het arrest stelt evenwel niet vast dat het bedrag van 20.000,00 euro, dat de verweerder 13 op zijn eigen rekening heeft gestort, aan de eiseres is afgegeven; aldus is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed of naar recht verantwoord.
  51. De lastens de eiseres uitgesproken straf is naar recht verantwoord wegens haar schuldigverklaring aan de telastleggingen B.1, B.2, B.3, B.4, B.5, B.6 voor een bedrag van 99.178,99 euro, B.7, B.10, B.11 en C. De onwettigheid van de schuldigverklaring aan de telastlegging B.9 voor een te hoog bedrag kan bijgevolg niet leiden tot vernietiging van de beslissing op de strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing over de strafvordering, is het middel niet ontvankelijk.
  52. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 13 behoeft het middel, gelet op de niet-ontvankelijkheid van het tegen die verweerder ingestelde cassatieberoep, geen antwoord. Zevende middel
  53. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest II verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging B.10 zonder haar verweer te beantwoorden dat er geen enkel onderzoek werd gedaan naar het project L.B. (eerste onderdeel); ondanks dat gebrek aan antwoord oordeelt het arrest II dat de eiseres niet aannemelijk maakt dat het project gerealiseerd werd of dat een aanvang ermee werd genomen; aldus keert het arrest II de bewijslast om.
  54. Het arrest II (p. 59-61) oordeelt als volgt: - de verweerders 15 en 16 maakten tussen 1 december 2015 en 18 november 2016 een totaal bedrag van 61.859,00 euro over aan de vennootschap L. B. S., waarvan de eiseres zaakvoerster is; - deze betalingen vormden de uitvoering van een reserveringsovereenkomst gesloten op 3 december 2015 met betrekking tot de huur van een appartement in het L. B. wooncomplex, een vorm van serviceflats, dit van zodra het wooncomplex eigendom zou zijn van de L.B.S. en de faciliteiten zouden zijn geopend; - op 24 oktober 2016 werd een tweede overeenkomst gesloten, waarin onder meer werd gestipuleerd dat L.B.S. inmiddels eigenaar was geworden van het wooncomplex L.B.. Er werd opnieuw een bedrag van 18.000,00 euro bepaald dat moest worden betaald als reserveringsbedrag; - het strafdossier bevat een vijftiental e-mailberichten uit de periode van april 2016 tot januari 2017, waarin de eiseres telkenmale de start of de voortgang der werken aan het wooncomplex om tal van redenen uitstelde; - de eiseres zelf legde in januari 2017 aan de speurders een enkel door haar ondertekend financieel samenwerkingsakkoord tussen L.B.S. en de entiteit ‘…’ voor, gedateerd op 3 november 2016, met betrekking tot 14.500.000,00 USD, alsook het vals bevonden stuk waaruit moest blijken dat zij op een rekening bij de “…” over 15.661.000,00 USD beschikte; - uit het geheel van deze elementen komt naar voor dat de eiseres de verweerders 15 en 16 in het najaar van 2015 voorspiegelde dat de vennootschap L.B.S. op korte termijn eigenaar zou worden van en verbouwingswerken zou uitvoeren in het wooncomplex L.B., dat zij op 24 oktober 2016 verklaarde dat L.B.S. hiervan effectief eigenaar geworden was en dat zij in januari 2017 valse stukken in haar bezit had die moesten getuigen van haar kredietwaardigheid en de kapitaalkracht van L.B.S.; - enig gegeven waaruit de realisatie of zelfs de aanvang van het project blijkt, is niet voorhanden. De eiseres maakt ook met niets aannemelijk dat dit project daadwerkelijk is gestart, laat staan, hoewel zij dit reeds in 2016 voorhield, dat L.B.S. eigenaar is van het wooncomplex of de woning waarvoor de verweerders 15 en 16 reeds 61.859,00 euro betaalden; - de door de verweerders 15 en 16 afgegeven sommen werden evenzeer verkregen door het stellen van listige kunstgrepen, waarbij de eiseres opnieuw niet aannemelijk kan maken dat de betaalde gelden daadwerkelijk bestemd waren voor het verwerven van de woning zoals overeengekomen.
  55. Met die redenen oordeelt het arrest II dat de feiten waarover de appelrechters beschikken volstaan om de eiseres schuldig te verklaren aan de telastlegging B.10 zonder dat daarvoor verder onderzoek naar het project L.B. is vereist. Aldus beantwoordt het arrest het voormelde verweer van de eiseres en legt het haar geen aanvoerings- of bewijslast op die haar niet toekomt. Het middel kan niet worden aangenomen. Achtste middel
  56. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel: het arrest II veroordeelt de eiseres op grond van de telastlegging B.5 tot het betalen van een schadevergoeding ten belope van 91.700,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten, aan de verweerders 8, 9 en 10 samen; de verweerder 10 heeft echter op de rechtszitting van 7 mei 2018 uitdrukkelijk aangegeven niets te vorderen; aldus kent het arrest aan de verweerder 10 meer toe dan gevorderd.
  57. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep ingesteld tegen de verweerder 10, behoeft het middel voor wat betreft die verweerder geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
  58. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 443,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 7 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.