← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.10 Rolnummer: P.22.1400.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 856 - laatst gezien 2026-06-16 00:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet hebben de processen-verbaal van overtredingen die zijn opgesteld door overheidspersonen die door de Koning zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is; deze bijzondere bewijswaarde strekt zich uit tot de zintuigelijke vaststellingen die door de verbalisanten persoonlijk zijn gedaan op het ogenblik van de overtreding of kort nadien betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden

(1); de vaststellingen door een bevoegd overheidspersoon dat een voertuig reed met een voor de bebouwde kom onaangepaste snelheid en dat aldus voetgangers die reglementair een oversteekplaats overstaken in gevaar werden gebracht, zijn vaststellingen als bedoeld door artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet.
(1)Cass. 28 oktober 2014, AR P.13.0595.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.2, AC 2014, nr. 639; Cass. 16 januari 2001, AR P.99.0422.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010116.4, AC 2001, nr. 28, GwH 14 juli 1997, arrest 48/1997, BS 27 september
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1400.N S. M. V. , beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Isabelle Slaets, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 8 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 62, tweede lid, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de regels inzake het bewijs in strafzaken: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de vaststellingen in het aanvankelijk proces-verbaal bijzondere bewijswaarde genieten; de in het aanvankelijk proces-verbaal opgenomen vaststellingen zijn geen feitelijke of materiële vaststellingen en zij hebben dan ook geen bijzondere bewijswaarde.
  4. Artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief.
  5. Artikel 62, tweede lid, Wegverkeerswet heeft betrekking op de bewijswaarde van vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd. Die bepaling is dan ook vreemd aan de door het middel aangevoerde grief die betrekking heeft op vaststellingen verricht door verbalisanten.
  6. In zoverre faalt het middel naar recht.
  7. Volgens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet hebben de processen-verbaal van overtredingen die zijn opgesteld door overheidspersonen die door de Koning zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is.
  8. Deze bijzondere bewijswaarde strekt zich uit tot de zintuigelijke vaststellingen die door de verbalisanten persoonlijk zijn gedaan op het ogenblik van de overtreding of kort nadien betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden.
  9. De vaststellingen door een bevoegd overheidspersoon dat een voertuig reed met een voor de bebouwde kom onaangepaste snelheid en dat aldus voetgangers die reglementair een oversteekplaats overstaken in gevaar werden gebracht, zijn vaststellingen als bedoeld door artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het bestreden vonnis steunt niet op materiële vaststellingen, maar baseert eisers schuldigverklaring op vage vaststellingen die niet aan tegenspraak kunnen worden onderworpen.
  11. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
  12. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich niet ertegen dat de rechter op gemotiveerde wijze het verweer van een beklaagde verwerpt als zouden vaststellingen als bedoeld door artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet te vaag zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer met betrekking tot de telastlegging A (eerste onderdeel) en de telastlegging B (tweede onderdeel) en meer bepaald het aangevoerde gebrek aan voldoende duidelijke materiële vaststellingen.
  14. Het bestreden vonnis (p. 3, randnr. 4) stelt vast dat de eiser het door het middel bedoelde verweer heeft gevoerd. Het bestreden vonnis (p. 3, randnr. 5) verwijst vervolgens naar artikel 62 Wegverkeerswet en de draagwijdte van deze bepaling, alsook naar het gegeven dat de verbalisanten duidelijk in het proces-verbaal hebben beschreven hoe de feiten zich hebben afgespeeld en hoe zij die hebben vastgesteld. Aldus beantwoorden de appelrechters het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële en of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 7 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230621.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010116.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.