id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 123, 124 en 125, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Artt. 287, 289, § 2, en 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Overeenkomstig artikel 353 Wetboek van Strafvordering worden de arresten van het hof van assisen geschreven door de voorzitter bijgestaan door de griffier en door hen ondertekend of, indien de voorzitter verhinderd is te tekenen, door de oudst benoemde rechter en de griffier; een ondertekening door de assessoren is aldus niet vereist; niets belet dat een arrest van het hof van assisen wordt opgenomen in een proces-verbaal van de rechtszitting; dat arrest is regelmatig ondertekend wanneer het proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter en de griffier; niet vereist is dat het arrest melding maakt van procedurele bepalingen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 353
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 12 De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de rechtszitting niet uitdrukkelijk vermeldt dat aan een beschuldigde het woord is verleend ter gelegenheid van een procedurehandeling van het hof van assisen, impliceert niet dat de beschuldigde niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te laten gelden tegen een onregelmatigheid die hij bij deze procedurehandeling opmerkt; in elk geval kan de beschuldigde dat bezwaar ook uit eigen beweging formuleren
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.
GRIFFIER Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 354
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 13 - 14 Geen enkele bepaling vereist dat naast het arrest van veroordeling tot een straf ook het arrest over de schuld en de motivering de wetsbepalingen over de toegepaste strafwet vermeldt; evenmin beduidt de omstandigheid dat die wetsbepalingen niet in dat arrest zijn vermeld, dat de juryleden niet afdoende zouden zijn geïnformeerd om de hen gestelde vragen met kennis van zaken te beantwoorden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 344
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 344
, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1457.N I, II, III, IV en IX S. C., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Gino Houbrechts en mr. Mirthe Piette, advocaten bij de balie Limburg, Het cassatieberoep IX tegen
- H. V. W.,
- L. V. W.,
- W. V. W.,
- C. G.,
- Ilse ROOX, met kantoor te 3500 Hasselt, Hasaluthdreef 12b bus 2, in haar hoedanigheid van curator over de onbeheerde nalatenschap van J. V. W., burgerlijke partijen, verweerders. V, VI, VII en VIII J. H., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven De Kerpel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en V zijn gericht tegen het arrest nr. 35/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 12 september 2022, dat een plaatsvervangend jurylid ontslaat en vaststelt dat wordt verder gegaan met twee plaatsvervangende juryleden (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en VI zijn gericht tegen het arrest nr. 36/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 14 september 2022, dat een effectief jurylid ontslaat en een plaatsvervangend jurylid beveelt de plaats van het ontslagen jurylid in te nemen om als effectief jurylid het debat verder te volgen (hierna arrest II). De cassatieberoepen III en VII zijn gericht tegen het arrest nr. 37/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 15 september 2022 over de schuldigverklaring van de eisers en de motivering (hierna arrest III). De cassatieberoepen IV en VIII zijn gericht tegen het arrest nr. 38/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 16 september 2022, dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna arrest IV). Het cassatieberoep IX is gericht tegen het arrest nr. 44/2022 van het hof van assisen van de provincie Limburg van 11 oktober 2022, dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen (hierna arrest V). De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 4 januari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. De raadsman van de eiser I heeft op 3 februari 2022 ter griffie van het Hof een noot bedoeld in artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. Op de rechtszitting van 7 februari 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 123 en 125 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 287 en 289, § 3, Wetboek van Strafvordering: het hof van assisen heeft, nadat de jury samengesteld was verklaard, ambtshalve beslist een jurylid dat weigerde de eed af te leggen te vervangen door een vervolgens uitgeloot “vervangend” jurylid; het hof van assisen kon op dat moment echter niet overgaan tot de uitloting van een dertiende jurylid, maar enkel nog tot de uitloting van de plaatsvervangende juryleden zoals bepaald in zijn arrest nr. 33/2022 van 6 september 2022 en tot de vervanging van het verhinderde jurylid door een plaatsvervangend jurylid; de vervanging van het verhinderde jurylid maakte bovendien niet het voorwerp uit van een arrest, maar enkel van vermeldingen op het proces-verbaal van de rechtszitting; er kan geen sprake zijn van een arrest dat vervat zou zijn in het proces-verbaal van de rechtszitting, aangezien het arrest in dat geval niet is ondertekend door de griffier; ook werd enkel de beslissing tot ambtshalve vervanging van het verhinderde jurylid ondertekend door de drie rechters, maar niet de werkelijke vervanging; de vervanging werd evenmin onderworpen aan enige controle of tegenspraak.
- Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: - in artikel 123 dat de jury zitting houdt met twaalf gezworenen; - in artikel 124 dat het hof van assisen vóór de uitloting kan bevelen dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog één tot vierentwintig plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot die het debat zullen bijwonen; - in artikel 125, eerste lid, tweede zin, dat de gezworene die verhinderd is het debat bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof van assisen is aangenomen. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt: - in artikel 287 dat de gezworenen ten minste twee werkdagen vóór de rechtszitting ten gronde worden opgeroepen voor het hof van assisen in aanwezigheid van de partijen en dat de voorzitter beslist over de ontslagen en vrijstellingen van de opgeroepen gezworenen, waarna de namen van de aanwezige niet vrijgestelde gezworenen in een bus worden gelegd; - in artikel 289, § 2, onder meer, dat de beschuldigde en de procureur-generaal een gelijk aantal gezworenen mogen wraken, namelijk zes indien er geen plaatsvervangende gezworenen zijn, zeven indien er één of twee zijn en acht indien er drie of vier zijn; - in artikel 289, § 3: “De jury is rechtsgeldig samengesteld zodra twaalf gezworenen zijn aangewezen. Op het ogenblik waarop de jury wordt samengesteld, is ten hoogste twee derde van de leden ervan van hetzelfde geslacht. Vervolgens loot de voorzitter van het hof van assisen het aantal plaatsvervangende gezworenen uit dat bepaald is ter uitvoering van artikel 124 van het Gerechtelijk Wetboek.”
- Wanneer een jurylid na de samenstelling van de jury zoals bepaald in artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering, maar vóór de uitloting van de plaatsvervangende juryleden waartoe het hof van assisen heeft beslist, een reden van verhindering aanvoert die hem belet de eed als jurylid af te leggen en het hof van assisen die reden aanvaardt, dan levert de omstandigheid dat dit hof een bijkomend jurylid uitloot alvorens over te gaan tot de uitloting van het vooropgestelde aantal plaatsvervangende gezworenen en het afnemen van de eed van de aldus uitgelote werkende en plaatsvervangende gezworenen, geen onregelmatigheid in de samenstelling van de jury op die de nietigheid van het daarop volgende proces over de grond van de zaak tot gevolg heeft, wanneer een partij daardoor haar recht van verdediging niet miskend acht. Is dat laatste wel het geval, dan dient die partij haar bezwaar tegen de beweerde onregelmatigheid terstond aan te voeren, dit wil zeggen op een moment waarop een rechtzetting nog mogelijk is. Wanneer die partij dat niet doet en zich over de grond van de zaak verdedigt zonder de samenstelling van de jury te betwisten, kan zij een dergelijke onregelmatigheid niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. De omstandigheid dat de samenstelling van de strafrechtsmachten de openbare orde raakt, doet daaraan geen afbreuk.
- De enkele omstandigheid dat het hof van assisen in de vermelde fase van de procedure overgaat tot de ambtshalve vervanging van een verhinderd jurylid door een nieuw uitgeloot jurylid, verhindert een partij niet haar wrakingsrecht met betrekking tot dat nieuwe jurylid uit te oefenen.
- Overeenkomstig artikel 353 Wetboek van Strafvordering worden de arresten van het hof van assisen geschreven door de voorzitter bijgestaan door de griffier en door hen ondertekend of, indien de voorzitter verhinderd is te tekenen, door de oudst benoemde rechter en de griffier. Een ondertekening door de assessoren is aldus niet vereist.
- Niets belet dat een arrest van het hof van assisen wordt opgenomen in een proces-verbaal van de rechtszitting. Dat arrest is regelmatig ondertekend wanneer het proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter en de griffier. Niet vereist is dat het arrest melding maakt van procedurele bepalingen.
- De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de rechtszitting niet uitdrukkelijk vermeldt dat aan een beschuldigde het woord is verleend ter gelegenheid van een procedurehandeling van het hof van assisen, impliceert niet dat de beschuldigde niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te laten gelden tegen een onregelmatigheid die hij bij deze procedurehandeling opmerkt. In elk geval kan de beschuldigde dat bezwaar ook uit eigen beweging formuleren.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het hof van assisen heeft bij arrest nr. 30 van 6 september 2022 de uitloting van drie plaatsvervangende juryleden bevolen; - het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 september 2022, genaamd “Proces-verbaal samenstelling van de jury”, is achteraan ondertekend door de voorzitter en de griffier en is bovendien ondertekend door de voorzitter en de assessoren op de plaats van de beslissing tot de vervanging van het verhinderde jurylid door een bijkomend uit te loten jurylid; - in dat proces-verbaal is vermeld dat: - de eisers vier werkende gezworenen en geen plaatsvervangende gezworenen hebben gewraakt; - nadat twaalf namen van niet gewraakte juryleden uit de bus van de gezworenen zijn gekomen en de rechtsprekende jury samengesteld is verklaard, het twaalfde jurylid 74G weigert in de jury te zetelen en de eed af te leggen omdat zij persoonlijk contact zou hebben met een van de beschuldigden; - het hof van assisen ambtshalve beslist de gezworene 74G te vervangen en over te gaan tot loting van de vervangende gezworene 25G, waarna nog drie plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot en allen vervolgens de eed afleggen; - de partijen geen opmerkingen hebben gemaakt; - al het voorgaande is gebeurd in openbare rechtszitting en overeenkomstig de artikelen 11, 12, 13, 19, 31, 32, 34, 35, 37 en 41 Taalwet Gerechtszaken.
- Uit die gegevens blijkt, eensdeels, dat het arrest tot vervanging van jurylid 74G door jurylid 25G, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 september 2022, regelmatig is ondertekend door de voorzitter en de griffier. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Daaruit blijkt, anderdeels, dat de eisers geen miskenning van hun recht van verdediging hebben aangevoerd ter gelegenheid van de vervanging van de gezworene 74G door de gezworene 25G. In zoverre het onderdeel de onregelmatigheid van die vervanging aanvoert, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak: het hof van assisen heeft de eisers bij de ambtshalve vervanging van jurylid 74G geen mogelijkheid geboden om enige tegenspraak uit te oefenen; nochtans hadden alle partijen dat recht, zeker gelet op de onduidelijkheid van de reden van verhindering.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers niet in de mogelijkheid waren om ter gelegenheid van de vervanging van jurylid 74G tegenspraak te voeren over die vervanging. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van de artikelen 119 en 125 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak: het arrest I ontslaat het plaatsvervangend jurylid 45G wegens medische redenen; het proces-verbaal van de rechtszitting vermeldt dat het medisch attest werd gevoegd aan het dossier; de inventaris van de aan het dossier gevoegde stukken, die als onderdeel van het proces-verbaal van de rechtszitting authentieke bewijswaarde heeft, maakt echter geen melding van die stukken; bijgevolg kunnen die stukken niet worden gecontroleerd en kan de regelmatigheid van de samenstelling van de zetel niet worden nagegaan.
- Het hof van assisen oordeelt onaantastbaar of een door een gezworene aangevoerde reden van verhindering moet worden aangenomen en over de noodzaak om in de vervanging van die gezworene te voorzien teneinde de continuïteit van het debat tot aan de eindbeslissing te verzekeren. Geen enkele wetsbepaling laat de wettigheid van die beslissing afhangen van het overleggen van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de aangevoerde reden van verhindering werkelijk bestaat. De omstandigheid dat dit bewijsstuk niet voorkomt op de inventaris van de aan het dossier toegevoegde stukken en het derhalve niet kan worden gecontroleerd, is dan ook niet van aard om een partij te kunnen grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 343 Wetboek van Strafvordering: het arrest III verklaart de eisers schuldig aan moord zonder dat dit arrest of de processen-verbaal, zowel van de rechtszitting als aangaande de gestelde vragen, artikel 394 Strafwetboek in verband met de verzwarende omstandigheid van de voorbedachtheid vermelden; de jury kan de vraag over deze verzwarende omstandigheid niet met kennis van zaken beantwoorden zonder ingelicht te zijn over de toepasselijke wetsartikelen.
- Artikel 343 Wetboek van Strafvordering heeft betrekking op de beraadslaging over de straftoemeting en is bijgevolg niet van toepassing op de beraadslaging over de schuld en de motivering.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief over de vermelding van de toegepaste wetsbepalingen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Artikel 344, eerste en tweede lid, bepaalt: “Ieder veroordelend arrest maakt melding van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf. Het arrest vermeldt de aanwijzing van de toegepaste strafwet.”
- Het arrest IV, dat de aan de eisers opgelegde straf bepaalt, vermeldt artikel 394 Strafwetboek en voldoet derhalve aan het vermelde voorschrift.
- Voor het overige vereist geen enkele bepaling dat ook het arrest over de schuld en de motivering de wetsbepalingen over de toegepaste strafwet vermeldt. Evenmin beduidt de omstandigheid dat die wetsbepalingen niet in dat arrest zijn vermeld, dat de juryleden niet afdoende zouden zijn geïnformeerd om de hen gestelde vragen met kennis van zaken te beantwoorden.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 394 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel nullum crimen sine culpa.
- Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling of tussen die redenen en het dictum. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Eerste onderdeel van de eisers
- Het onderdeel voert aan dat het arrest III bij de beoordeling van de voorbedachtheid het gegeven betrekt dat de eisers ten aanzien van B.V. hebben gehandeld met eenzelfde patroon als ten aanzien van het huidige slachtoffer; de feiten ten aanzien van B.V. zijn echter nog niet definitief bewezen verklaard, zodat het arrest III het vermoeden van onschuld miskent; bovendien blijkt uit het debat met inbegrip van de getuigenis van B.V. niet welke modus operandi de eiser III tegen B.V. zou hebben gebruikt en werd die modus operandi niet onderworpen aan de tegenspraak van de eisers; de motivering van het arrest III is desbetreffend dan ook onduidelijk, wat gelijk staat met een gebrek aan motivering.
- Het onderdeel dat in zijn geheel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel van de eisers
- Het onderdeel voert aan dat het arrest III oordeelt, enerzijds, dat de eisers tussendoor zelfs de tijd namen om een poging te doen tot het uitwissen van hun sporen en, anderzijds, dat er volgens de bevindingen van het labo in de voorraadkamer geen afgewassen bloedsporen werden gevonden; aldus steunt het oordeel dat de voorbedachtheid van de eisers afleidt uit de poging sporen te doen verdwijnen op tegenstrijdige redenen.
- Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen.
- De vaststelling dat er enkel bloedsporen werden aangetroffen in de keuken en er geen bloedsporen of afgewassen bloedsporen werden aangetroffen in de voorraadkamer, sluit niet uit dat de eisers geprobeerd hebben hun sporen uit te wissen. Bijgevolg zijn de vermelde redenen niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel van de eiser III
- Het onderdeel voert aan dat het arrest III de constitutieve bestanddelen van de misdaad moord, in het bijzonder de voorbedachtheid, niet individueel toetst ten aanzien van de eiser III; die motivering is ontoereikend; de eiser III kan niet uitmaken welke door hemzelf gestelde handelingen de voorbedachtheid staven.
- Het arrest III dat oordeelt zoals vermeld op de pagina’s 4 tot en met 8 en op grond daarvan besluit dat het vaststaat dat ook de eiser III de feiten met voorbedachtheid heeft gepleegd aangezien hij bewust en gedurende de ganse doodstrijd van het slachtoffer rechtstreeks heeft meegewerkt aan de feiten, laat de eiser III toe te weten waarom hij als mededader schuldig is aan moord en is bijgevolg regelmatig met redenen omkleed. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 382,31 euro, waarvan de eiser I 212,05 euro is verschuldigd en de eiser II 170,26 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 7 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241218.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div