id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 Rolnummer: P.22.1394.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 1050 - laatst gezien 2026-06-18 21:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de complexiteit van de strafvervolging, de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak voor de beklaagde heeft het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op behandeling van een strafvervolging binnen een redelijke termijn is miskend; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord; niet naar recht verantwoord is de rechterlijke beslissing die vaststelt dat de redelijke termijn niet is overschreden, ondanks de vaststelling dat de zaak niet complex is en de strafvordering gedurende ongeveer één jaar zonder verantwoording heeft stilgelegen, ongeacht het gegeven dat de latere vertraging in het proces aan de beklaagde kan worden toegeschreven
(1)Over de vereiste van de redelijke termijn in eenvoudige strafzaken waarin in een bepaalde fase een onverantwoorde stilstand is ontstaan, niet te wijten aan de beklaagde, zie o.a. Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1621.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10, AC 2022, nr. 64; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7, AC 2022, nr. 63; NC 2022, 65, T. Strafr. 2022, 109, RW 2021-22, 1621, RABG 2022, 643, JT 2022, 174 noot C. YURT. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1394.N S. H., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Carine Liekendael, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 5 oktober
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het principe van de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn: het bestreden vonnis dat oordeelt dat er geen enkele verantwoording wordt gegeven voor het verstrijken van een periode van één jaar tussen de laatst nuttige onderzoeksdaad en het geven van de opdracht tot dagvaarding, stelt aldus vast dat er een overschrijding is van de redelijke termijn, maar laat na daaraan een rechtsgevolg te verbinden.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de complexiteit van de strafvervolging, de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak voor de beklaagde heeft het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op behandeling van een strafvervolging binnen een redelijke termijn is miskend.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het bestreden vonnis beoordeelt het redelijketermijnverweer van de eiseres als volgt: - de vervolgde feiten, namelijk een snelheidsovertreding en het besturen van een motorvoertuig spijts een vervallenverklaring, dateren van 1 juli 2017; - het laatste proces-verbaal dat vaststelt dat de eiseres niet kwam opdagen dateert van 22 december 2017; - ongeveer een jaar later, namelijk op 13 november 2018, gaf de procureur des Konings opdracht tot dagvaarding; - de zaak werd op de rechtszitting van 13 februari 2019 behandeld in afwezigheid van de eiseres en dezelfde dag werd vonnis uitgesproken; - dit verstekvonnis werd aan de eiseres betekend op 21 augustus 2019; - de eiseres tekende op 3 september 2019 verzet aan; - op de rechtszitting van 23 september 2019 werd de behandeling van de zaak op verzoek van de eiseres uitgesteld naar de rechtszitting van 7 oktober 2019, dag waarop het vonnis op verzet werd uitgesproken; - de eiseres tekende op 16 oktober 2019 hoger beroep aan en liet op de rechtszitting van 23 januari 2020 opnieuw verstek, waarna op 26 februari 2020 het verstekvonnis werd uitgesproken; - het verstekvonnis werd betekend aan de eiseres op 23 maart 2020 en het duurde tot 14 juli 2022 vooraleer de eiseres daartegen verzet heeft aangetekend; - er wordt geen enkele verantwoording gegeven voor het verstrijken van een periode van bijna één jaar tussen de laatst nuttige onderzoeksdaad en het geven van de opdracht tot dagvaarding; - de eigen houding van de eiseres heeft in substantiële mate bijgedragen tot het tijdsverloop tussen de feiten en de einduitspraak. Gelet op de vaststelling door het bestreden vonnis dat de strafvervolging in deze zaak, die niet als complex wordt beoordeeld, gedurende ongeveer één jaar zonder verantwoording heeft stilgelegen, kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden en dit ongeacht het gegeven dat de duur van de vervolging voor het overige aan de eiseres kan worden toegeschreven. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De cassatie van de beslissing over de redelijke termijn leidt tot de cassatie van de beslissingen over de aan de eiseres opgelegde straffen met inbegrip van haar veroordeling tot de betaling van bijdragen aan het Slachtofferfonds, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Het laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de overschrijding van de redelijke termijn en de eiseres veroordeelt tot straffen, met inbegrip van de veroordeling tot betaling van bijdragen aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 135,36 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 7 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div