← België

D. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.8 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.1 Rolnummer: P.22.0990.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-16 Raadplegingen: 998 - laatst gezien 2026-06-18 19:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het specialiteitsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, omgezet naar Belgisch recht bij de artikelen 37 en 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel, houdt geen verband met de rechtsmacht of de bevoegdheid van de rechter in de beslissingsstaat, maar met de ontvankelijkheid van de strafvordering

(1).
(1)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; NC 2020, 463; Cass. 8 oktober 2013, AR P.12.1043.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.5, AC 2013, nr. 504, NC 2014, 2 noot E. VAN DOOREN. Over het specialiteitsbeginsel zie ook HvJ 1 december 2008, arrest C-388/08/PPU, Artur Leymann en Aleksei Pustovarov; www.curia.europa.eu, S. DEWULF, Handboek Uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, pp. 200-206. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 27 en 28 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 37 en 38 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 27 en 28 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 37 en 38 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 5 Artikel 210 Wetboek van Strafvordering verplicht de appelrechter om ambtshalve een grief op te werpen die verband houdt met een van de erin bedoelde onderwerpen, rekening houdend met de interpretatie van die verplichting door de arresten van het Grondwettelijk Hof van 16 mei 2019 (nr. 67/2019) en 20 november 2019 (nrs. 185/2019 en 189/2019)
(1); de loutere omstandigheid dat de appelrechter vaststelt dat een appellant in zijn conclusie aanvoert dat het in artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde specialiteitsbeginsel werd miskend maar in zijn grievenschrift geen procedurele grief heeft aangevoerd over dit beginsel, dat aldus geen deel uitmaakt van de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde beroepsgrieven, verplicht hem niet om hierover ambtshalve een grief op te werpen noch om het doelloze verweer van de appellant in dit verband te beantwoorden; uit de enkele niet-naleving van het specialiteitsbeginsel, dat niet absoluut is en waarvan onder bepaalde voorwaarden zelfs afstand kan worden gedaan, kan immers niet worden afgeleid dat de strafvordering niet ontvankelijk is.
(1)GwH 16 mei 2019, arrest 67/2019; GwH 20 november 2019, arrest 185/2019 en GwH 20 november 2019, arrest 19/2019, www.-const-court.be; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 175-216; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1717-1725; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2022, 1448-1450. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 6 Een terecht vervallen verklaarde grief van een appellant maakt geen ontvankelijk verweer van die partij voor de appelrechter uit
(1).
(1)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 81-85; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1709-
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0990.N I S. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. P. V.,
  3. J. S.,
  4. D. V. L.,
  5. O. V., burgerlijke partijen, verweerders. II T. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen
  6. C. V.,
  7. T. P.,
  8. D. V. L, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 juni
  9. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  10. Het arrest spreekt de eiser I vrij van de telastleggingen A.3 en B.
  11. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep II is betekend aan de verweerders II, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van die verweerders, is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II
  13. De memorie van de eiser II is neergelegd op donderdag 15 september 2022, dit is meer dan twee maanden na het cassatieberoep II dat dateert van 14 juli 2022 en dus na de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De memorie is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  14. Het middel voert schending aan van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het geen ambtshalve middelen moet opwerpen, verklaart het hoger beroep van de eiser I vervallen voor wat betreft de grief over het specialiteitsbeginsel inzake de telastleggingen A.2, A.3, A.6, A.10, B.2, B.3, B.4 en C.3 en verklaart de eiser I schuldig aan die telastleggingen; de appelrechter is echter verplicht de grieven van openbare orde op te werpen die zijn bevoegdheid betreffen; dit is hier het geval omdat de toepassing van het specialiteitsbeginsel een impact heeft op de rechtsmacht en derhalve de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges om kennis te nemen van de feiten die onder dat beginsel vallen, wat het arrest hier ook zelf vaststelt.
  15. Het specialiteitsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, omgezet naar Belgisch recht bij de artikelen 37 en 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel, houdt geen verband met de rechtsmacht of de bevoegdheid van de rechter in de beslissingsstaat, maar met de ontvankelijkheid van de strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op: - zijn bevoegdheid; - de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt; - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.” Die bepaling verplicht de appelrechter om ambtshalve een grief op te werpen die verband houdt met een van de erin bedoelde onderwerpen, rekening houdend met de interpretatie van die verplichting door de arresten van het Grondwettelijk Hof van 16 mei 2019 (nr. 67/2019) en 20 november 2019 (nrs. 185/2019 en 189/2019).
  17. De loutere omstandigheid dat de appelrechter vaststelt dat een appellant in zijn conclusie aanvoert dat het in artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde specialiteitsbeginsel werd miskend maar in zijn grievenschrift geen procedurele grief heeft aangevoerd over dit beginsel, dat aldus geen deel uitmaakt van de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde beroepsgrieven, verplicht hem niet om hierover ambtshalve een grief op te werpen noch om het doelloze verweer van de appellant in dit verband te beantwoorden. Uit de enkele niet-naleving van het specialiteitsbeginsel, dat niet absoluut is en waarvan onder bepaalde voorwaarden zelfs afstand kan worden gedaan, kan immers niet worden afgeleid dat de strafvordering niet ontvankelijk is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Tweede middel van de eiser I
  18. Het middel voert schending aan van artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat het specialiteitsbeginsel voor wat betreft de telastleggingen A.2, A.3, A.6, A.10, B.2, B.3, B.4 en C.3 niet is miskend in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 november 2020 in de zaak C 510/19; uit dat arrest volgt immers dat de toestemming van het arrondissementsparket Amsterdam (Nederland) voor het aanvullend Europees aanhoudingsbevel lastens de eiser I ongeldig is omdat dit openbaar ministerie geen uitvoerende rechterlijke autoriteit is in de zin van artikel 6.2 van het voormelde Kaderbesluit.
  19. Een terecht vervallen verklaarde grief van een appellant maakt geen ontvankelijk verweer van die partij voor de appelrechter uit. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Hieruit volgt dat het middel, gelet op het antwoord op het eerste middel, geen antwoord behoeft. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op in het geheel op 337,21 euro, waarvan de eiser I 168,50 euro is verschuldigd, en de eiser II 168,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.