id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.1 Rolnummer: P.22.1303.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 1057 - laatst gezien 2026-06-17 22:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 88quater, § 1, Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeksrechter een verdachte van wie hij vermoedt dat hij de toegangscode van een te doorzoeken informaticasysteem zoals een gsm kent, bevelen die code mee te delen en paragraaf 3 van dat artikel bestraft de weigering tot die medewerking; een gebrek aan medewerking kan erin bestaan dat een verdachte die de juiste toegangscode van de gsm kent, opzettelijk een onjuiste code meedeelt of invoer en de vonnisrechter kan dit afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens
(1).
(1)Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1086.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6, AC 2020, nr. 102 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 88quater - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 88quater - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1303.N K. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastleggingen A.1 en A.2, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 88quater, § 1, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser ten onrechte de toegangscode van de gsm niet heeft meegedeeld toen hem het bevel daartoe van de onderzoeksrechter werd betekend; de verbalisanten hebben in het aanvankelijk proces-verbaal echter genoteerd dat de eiser wel degelijk zijn code heeft meegedeeld en ingevoerd in het toestel, alsook dat de eiser heeft voorgesteld zijn zoon te bellen om de code te achterhalen en hij enkel verdere medewerking heeft geweigerd op advies van zijn raadsman; de eiser heeft aan zijn wettelijke verplichting voldaan door zijn code mee te delen; die verplichting houdt immers geen resultaatsverbintenis in; zij vereist ook niet het contacteren van een derde om de juiste code van de gsm te achterhalen; minstens miskent het arrest de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal door te oordelen dat de eiser de toegangscode van de gsm niet heeft meegedeeld.
- Op grond van artikel 88quater, § 1, Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeksrechter een verdachte van wie hij vermoedt dat hij de toegangscode van een te doorzoeken informaticasysteem zoals een gsm kent, bevelen die code mee te delen. Paragraaf 3 van dat artikel bestraft de weigering tot die medewerking.
- Een gebrek aan medewerking zoals hier bedoeld kan erin bestaan dat een verdachte die de juiste toegangscode van de gsm kent, opzettelijk een onjuiste code meedeelt of invoert. De vonnisrechter kan dit afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens. Het Hof gaat wel na of de vonnisrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet te verantwoorden zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van de feiten die het vaststelt, waaronder het feit dat het scherm van de gevonden gsm gegevens vermeldde die wezen op het gebruik ervan door de eiser en het feit dat eisers gezinsleden de gsm herkenden als deze van de eiser, oordeelt het arrest (p. 10-12) dat de eiser de eigenaar, de gebruiker of minstens een regelmatige gebruiker van de gsm was en bijgevolg de toegangscode van het toestel kende, zodat hij het misdrijf bepaald in artikel 88quater, § 3, Wetboek van Strafvordering heeft gepleegd door onwetendheid voor te wenden en opzettelijk een onjuiste code in te voeren. Die beslissing kan het arrest wettig afleiden uit de vastgestelde feiten, zonder dat het verder nog van belang is of de eiser ertoe gehouden kon zijn om zijn zoon te contacteren voor het meedelen van de code. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij wel degelijk zijn toegangscode tot de gsm heeft ingegeven; het arrest duidt de aan de eiser verweten handeling niet aan; minstens miskent het arrest zodoende de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel stellen de appelrechters hun eigen beoordeling van de handelwijze van de eiser na de betekening van de beschikking van de onderzoeksrechter op grond van artikel 88quater, § 1, Wetboek van Strafvordering in de plaats van het door de eiser aangevoerde verweer. Aldus verwerpen en beantwoorden zij dat verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal is afgeleid uit die onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 2bis, § 1, 4° en 6°, eerste lid, Drugwet, de artikelen 2, 12°, 14° en 18°, 3, 6, § 1, 8, 50 en 61 alsook de bijlagen I tot V van het koninklijk besluit van 6 september 2017 en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: hoewel de eiser voor wat betreft de telastlegging B.2 is vervolgd voor een incriminatieperiode tussen 31 oktober 2019 en 20 maart 2020, stelt het arrest enkel vast dat de eiser aan de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf heeft voldaan op 8 februari 2020 en 19 maart 2020; aldus motiveert het arrest niet naar recht waarom er ook voor alle andere data sprake is van het betrokken misdrijf.
- De eiser is onder de telastleggingen B.2 vervolgd wegens: “invoer, uitvoer en vervoer van middelen zonder vergunning met verzwarende omstandigheden (…) met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging (…) tussen 31 oktober 2019 en 20 maart 2020, meermaals op niet nader te bepalen data, onder meer op 8 februari 2020 en laatst op 19 maart 2020.”
- Het arrest (p. 13-16) verklaart de aldus in de tijd gesitueerde feiten niet louter bewezen op 8 februari 2020 en op 19 maart 2020, noch enkel op grond van de op die data gedane vaststellingen over de invoer van cannabis door de eiser, maar ook op grond van het niveau van de organisatie en van de verhulling van de feiten die het vaststelt, alsmede op grond van de verdachte grensovergangen van de eiser in februari en maart 2020, die het als aanvullend bewijs in aanmerking neemt. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige moet de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een aflopend misdrijf dat volgens de telastlegging meermaals is gepleegd in de loop van een bepaalde periode, niet uitdrukkelijk motiveren dat de dader elke dag van die periode de constitutieve bestanddelen van dat misdrijf in zijn persoon heeft verenigd. Het volstaat dat de rechter een eventueel specifiek verweer daarover beantwoordt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat het de eiser was die reed met de voertuigen waarvan de ANPR-camera’s hebben vastgesteld dat zij de grens met Nederland zijn overgestoken.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, waaronder de beschrijving van de vaststellingen gedaan op 19 maart 2020 en de beoordeling van eisers uitleg over de grensovergangen op 17 en 18 maart 2020, beantwoordt het arrest eisers verweer zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div