id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11 Rolnummer: P.22.1547.N Zaak: DALGA-TRANS NV contra DE BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 949 - laatst gezien 2026-06-18 18:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Wanneer voor de vonnisrechter wordt aangevoerd dat de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is en de beoordeling van die onregelmatigheid geen inzage in het vertrouwelijk dossier van de observatie vereist, dan kan de vonnisrechter de kamer van inbeschuldigingstelling niet op grond van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering gelasten met een controle over de toepassing van de observatie overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering aangezien in dat geval op die beoordeling in de onderzoeksfase niet artikel 235ter maar wel artikel 235bis Wetboek van Strafvordering van toepassing is;eenmaal de zaak aanhangig is voor de vonnisrechter, verleent artikel 235bis Wetboek van Strafvordering geen bevoegdheid meer aan de kamer van inbeschuldigingstelling om de regelmatigheid van de strafrechtspleging te onderzoeken, zodat indien die kamer zich tijdens de onderzoeksfase niet met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering heeft uitgesproken de vonnisrechter over de onregelmatigheid zelf moet daarover oordelen; vereist daarentegen het onderzoek van de onregelmatigheid wel de inzage in het vertrouwelijk dossier van de observatie en steunt die onregelmatigheid op concrete gegevens die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, dan kan de vonnisrechter daarover niet oordelen en moet hij artikel 189ter Wetboek van Strafvordering toepassen zodat de vonnisrechter geen keuze om ofwel artikel 189ter Wetboek van Strafvordering toe te passen, ofwel de onregelmatigheid zelf te beoordelen
(1)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0108.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7, AC 2017, nr. 265; Cass. 28 mei 2014, AR P.14.0424.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.3, AC 2014, nr. 386 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 16 februari 2010, AR P.10.0012.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, AC 2010, nr. 104 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter, 235bis en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter, 235bis en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter, 235bis en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1547.N I DALGA TRANS nv, met zetel te 3600 Genk, Hermeslaan 28, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, II
- Ö. U., beklaagde, A. T., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Violette Kerkhofs, advocaat bij de balie Limburg, de cassatieberoepen I en II tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 75, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 november
- De eisers voeren elk in gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 47sexies, 47septies, 189ter, 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verweer van de eisers dat de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is omdat het louter voorliggen van een niet verder onderzochte klachtbrief, waarvan de inhoud dan nog niet overeenstemt met de inhoud van het proces-verbaal van de observatie, onvoldoende ernstige aanwijzingen van een strafbaar feit opleverde om de observatie te machtigen en de machtiging te verlengen; het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat de appelrechters gebonden zijn door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 14 december 2020, dat op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering heeft beslist dat er geen onregelmatigheden werden begaan in het kader van de observatie; de bevoegdheid die de kamer van inbeschuldigingstelling aan artikel 235ter Wetboek van Strafvordering ontleent om aan de hand van het vertrouwelijk dossier de regelmatigheid van de observatie na te gaan, verleent haar niet het alleenrecht om te oordelen dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden van subsidiariteit en proportionaliteit; de appelrechters dienden, ook wanneer zij geen toepassing wensten te maken van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering, in een procedure op tegenspraak de regelmatigheid van de observatie na te gaan en het verweer van de eisers te onderzoeken.
- Uit de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis (p. 14-17) en de eigen redenen die het (p. 23-25) bevat, blijkt enkel dat de eisers voor de appelrechters hebben aangevoerd dat de observatie, hoewel reeds gemachtigd op 17 september 2015, slechts is uitgevoerd vanaf 18 november 2015 en dat de verlengingen van de machtiging onvoldoende werden gedragen door ernstige aanwijzingen van het bestaan van een strafbaar feit. Daarbij hebben de eisers gevraagd dat de appelrechters artikel 189ter Wetboek van Strafvordering zouden toepassen of dat zij die onregelmatigheden minstens zelf zouden beoordelen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit het arrest een verdergaand verweer van de eisers blijkt, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Wanneer voor de vonnisrechter wordt aangevoerd dat de toegepaste bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is en de beoordeling van die onregelmatigheid geen inzage in het vertrouwelijk dossier van de observatie vereist, dan kan de vonnisrechter de kamer van inbeschuldigingstelling niet op grond van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering gelasten met een controle over de toepassing van de observatie overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In dat geval is op die beoordeling in de onderzoeksfase immers niet artikel 235ter maar wel artikel 235bis Wetboek van Strafvordering van toepassing. Eenmaal de zaak aanhangig is voor de vonnisrechter, verleent artikel 235bis Wetboek van Strafvordering echter geen bevoegdheid meer aan de kamer van inbeschuldigingstelling om de regelmatigheid van de strafrechtspleging te onderzoeken. Indien die kamer zich tijdens de onderzoeksfase dus niet met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering heeft uitgesproken over de onregelmatigheid, moet de vonnisrechter daarover zelf oordelen. Vereist daarentegen het onderzoek van de onregelmatigheid wel de inzage in het vertrouwelijk dossier van de observatie en steunt die onregelmatigheid op concrete gegevens die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, dan kan de vonnisrechter daarover niet oordelen en moet hij artikel 189ter Wetboek van Strafvordering toepassen. Bijgevolg heeft de vonnisrechter geen keuze om ofwel artikel 189ter Wetboek van Strafvordering toe te passen, ofwel de onregelmatigheid zelf te beoordelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen niet zonder meer dat zij gebonden zijn door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 14 december
- Zij oordelen wel, eensdeels, dat de beoordeling van de onregelmatigheid die de eisers voor hen hebben aangevoerd reeds begrepen is in de controle die de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering heeft uitgevoerd met het vermelde arrest van 14 december 2020, wat impliceert dat die beoordeling de inzage van het vertrouwelijk dossier van de observatie vereist, alsook, anderdeels, dat de gegevens die de eisers voor hen aanvoeren niet nieuw zijn aangezien de eisers die gegevens reeds kenden vóór de vermelde controle door de kamer van inbeschuldigingstelling. Aldus verantwoorden de appelrechters de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 47sexies, 47septies, 189ter, 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verzoek van de eisers om artikel 189ter Wetboek van Strafvordering toe te passen omdat de eisers geen nieuwe gegevens aanvoeren die de toepassing van dat artikel vereisen; de eisers hebben aangevoerd dat een nieuw gegeven erin bestond dat zij in de loop van de vonnisprocedure hebben vernomen dat er geen observaties zouden zijn uitgevoerd vóór 18 november 2015, hoewel de machtiging tot observatie reeds was verleend op 17 september 2015; het arrest grondt het voormelde oordeel op de vaststelling dat het proces-verbaal van de observatie van 24 oktober 2019 als observatieperiode “van 18 november 2015 tot 26 januari 2016” vermeldt; uit de door het arrest bedoelde vermeldingen in dat proces-verbaal kan echter niet worden afgeleid dat het steeds geweten zou zijn dat er de eerste maanden na het verlenen van de machtiging tot observatie niets gebeurde; daarentegen vermeldt noch het proces-verbaal van 22 maart 2016 noch het voormelde proces-verbaal van 24 oktober 2019 dat er, ondanks het voorhanden zijn van een machtiging tot observatie gedurende twee maanden, niets zou zijn gebeurd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van 24 oktober
- Het arrest geeft geen uitlegging van de bewoordingen van het proces-verbaal van 24 oktober 2019, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest steunt de verwerping van het verweer van de eisers dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor het feit dat de eisers gasolie zouden hebben ontkleurd gedurende de ganse incriminatieperiode van 7 mei 2014 tot en met 26 januari 2016 op het anonieme schrijven op grond waarvan het onderzoek werd opgestart; een anoniem schrijven kan echter niet als bewijs in rechte worden gehanteerd; aan een inlichting kan geen bewijswaarde worden toegekend, zoals dat ook niet het geval is voor politionele informatie gesteund op anonieme bronnen.
- Het arrest grondt de vaststelling dat de eisers gedurende de gehele vermelde incriminatieperiode in totaal 5.729.097 liter gasolie hebben ontkleurd niet enkel op de beweringen vervat in het anonieme schrijven waarnaar het middel verwijst, maar eveneens op een geheel van redenen gesteund op vaststellingen in verband met de leveringen van gasolie die fictief werden gefactureerd aan een derde bedrijf, de ongeloofwaardigheid van de bewering dat een deel van de in het zwart aangekochte gasolie zonder ontkleuring zou zijn verkocht aan derden, de jarenlange samenwerking met firma’s betrokken bij grootschalige ontkleuringsfraude en de extrapolatie van de grote hoeveelheid tijdens de observatie vastgestelde ontkleuringen over de ganse incriminatieperiode. Het middel dat die zelfstandige redenen niet in de kritiek betrekt, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 241,51 euro, waarvan eiser I 120,75 euro is verschuldigd en de eisers II 120,76 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div