← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.14 Rolnummer: P.23.0165.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-06-18 13:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van de artikelen 27, 30, 36 en 37 Voorlopige Hechteniswet volgt dat over het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de correctionele rechtbank gewezen overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet, uitspraak moet worden gedaan door een correctionele kamer van het hof van beroep. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 27, 30, 36 en 37 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 27, 30, 36 en 37 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 27, 30, 36 en 37 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0165.N S. T., beklaagde, verzoeker tot opheffing voorwaarden voor invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 januari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 36, § 3, en 37 Voorlopige Hechteniswet: het arrest werd gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling in de plaats van door een correctionele kamer van het hof van beroep; de eiser stelde hoger beroep in tegen de afwijzing door de vonnisrechter van zijn verzoek tot opheffing van bepaalde aan hem opgelegde voorwaarden; na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek is het niet meer aan het onderzoeksgerecht om over een dergelijk verzoek te oordelen. 2. Artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden verlengen voor maximum drie maanden en uiterlijk tot het vonnis. Het vonnisgerecht kan die voorwaarden ook intrekken of vrijstelling verlenen van de naleving van sommige daarvan. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen.” Artikel 37, eerste lid, tweede zin, van dezelfde wet bepaalt dat tegen die beslissing dezelfde rechtsmiddelen openstaan als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen. Volgens artikel 30, § 1, tweede zin, van die wet wordt over het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank of van de politierechtbank, gewezen overeenkomstig artikel 27 van die wet, naar het geval, uitspraak gedaan door de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep of door de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep. 3. Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat over het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de correctionele rechtbank gewezen overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet, uitspraak moet worden gedaan door een correctionele kamer van het hof van beroep. 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 6 december 2022 naar de correctionele rechtbank werd verwezen; - de voormelde raadkamer bij afzonderlijke gemotiveerde beschikking van dezelfde datum de door de onderzoeksrechter opgelegde voorwaarden voor invrijheidstelling van de eiser heeft gehandhaafd; - de hogere beroepen van de eiser tegen beide voormelde beschikkingen niet ontvankelijk werden verklaard door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent bij arrest van 20 december 2022; - de eiser op 20 januari 2023 een verzoekschrift overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet tot gedeeltelijke opheffing van de aan hem opgelegde voorwaarden heeft neergelegd gericht aan de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne (kamer V.14); - over dit verzoek uitspraak werd gedaan door de voormelde kamer, zetelend in raadkamer en in strafzaken, bij beslissing van 24 januari 2023; - de eiser op 25 januari 2023 tegen deze beslissing hoger beroep heeft ingesteld en dat daarover uitspraak wordt gedaan met het bestreden arrest. 5. Het arrest dat na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek uitspraak doet over het hoger beroep dat de eiser heeft ingesteld tegen de beslissing van de vonnisrechter over zijn verzoek tot opheffing van bepaalde aan hem opgelegde voorwaarden voor invrijheidstelling, is niet gewezen door een correctionele kamer maar door de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent. Aldus schendt het arrest de geviseerde bepalingen. Het middel is gegrond. Tweede middel 6. Het middel dat niet kan leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.14 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250326.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.