← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.16 Rolnummer: P.23.0178.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-02-17 Raadplegingen: 864 - laatst gezien 2026-06-15 08:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom en hij kan daarbij rekening houden met het voorhanden zijn van ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen worden gehouden zoals wordt bepaald in artikel 35, § 4, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, maar dat is geen exclusief criterium. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 5 Indien een inverdenkingestelde is aangehouden voor inbreuken op de Drugswet in vereniging en lidmaatschap aan een criminele organisatie, maken artikel 5.3 EVRM en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet een invrijheidstelling tegen de betaling van een borgsom en de bepaling van het bedrag van de borgsom niet afhankelijk van het voorhanden zijn van bewijzen dat de inverdenkinggestelde zich persoonlijk heeft verrijkt of dat bij hem vermogensvoordelen zijn aangetroffen; voor die beslissing en het bepalen van het bedrag van de borgsom kan de rechter ook rekening houden met het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen dat de vereniging en de organisatie, waarvan de inverdenkinggstelde deel zou uitmaken, vermogensvoordelen heeft gegenereerd, met ernstige aanwijzingen betreffende de omvang van die vermogensvoordelen en met ernstige aanwijzingen betreffende de rol van de inverdenkinggestelde in de vereniging en de organisatie, zodat de beslissing niet louter afhankelijk is van de ernstige aanwijzingen betreffende de eigen financiële mogelijkheden van de inverdenkinggestelde. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0178.N J. H., eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 februari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest wijdt geen enkele overweging aan de financiële draagkracht van de eiser en motiveert enkel vanuit de premisse dat de eiser deel zou uitmaken van een criminele vereniging en zich van daaruit persoonlijk zou hebben verrijkt; vanuit een vermoed crimineel vermogen van de vereniging wordt uitgegaan van een aanzienlijke persoonlijke verrijking van de eiser; hiervan ligt geen bewijs voor; het arrest is behept met een motiveringsgebrek omdat het de hoogte van de borgsom niet verantwoordt vanuit de eigen financiële draagkracht, maar enkel vanuit zijn vermeend lidmaatschap van een criminele vereniging. 2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 3. De rechter oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom. 4. Hij kan daarbij rekening houden met het voorhanden zijn van ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen worden gehouden zoals wordt bepaald in artikel 35, § 4, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, maar dat is geen exclusief criterium. 5. Indien een inverdenkingestelde is aangehouden voor inbreuken op de Drugwet in vereniging en lidmaatschap aan een criminele organisatie, maken artikel 5.3 EVRM en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet een invrijheidstelling tegen de betaling van een borgsom en de bepaling van het bedrag van de borgsom niet afhankelijk van het voorhanden zijn van bewijzen dat de inverdenkinggestelde zich persoonlijk heeft verrijkt of dat bij hem vermogensvoordelen zijn aangetroffen. Voor die beslissing en het bepalen van het bedrag van de borgsom kan de rechter ook rekening houden met het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen dat de vereniging en de organisatie, waarvan de inverdenkinggstelde deel zou uitmaken, vermogensvoordelen heeft gegenereerd, met ernstige aanwijzingen betreffende de omvang van die vermogensvoordelen en met ernstige aanwijzingen betreffende de rol van de inverdenkinggestelde in de vereniging en de organisatie. De beslissing is dus niet louter afhankelijk van de ernstige aanwijzingen betreffende de eigen financiële mogelijkheden van de inverdenkinggestelde. 6. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest oordeelt als volgt: - op basis van de thans voorliggende resultaten van het gevoerde onderzoek zijn er aanwijzingen dat de vereniging waarvan de eiser zou deel uitmaken een aanzienlijk crimineel vermogen zou hebben gegenereerd, gelet op de kennelijke invoer van grote hoeveelheden cocaïne en zulks op georganiseerde wijze; - gelet op de kennelijke rol die de eiser zou hebben gespeeld binnen deze organisatie waarbij hij zich mogelijk lijkt te situeren binnen de kern van de vereniging en de duur van de incriminatieperiode, zijn er dan ook ernstige aanwijzingen dat de eiser een aanzienlijke persoonlijke verrijking heeft gekend en dat minstens een deel van het gegenereerde criminele vermogen aan hem persoonlijk zou zijn toegekomen; - de finaliteit van dergelijke misdrijven is evident gelegen in het zeer lucratieve karakter dat hiermee gepaard gaat en het genereren van grote winsten; - het is hierbij eveneens aannemelijk dat een deel van deze mogelijke opbrengsten door de eiser verborgen zou zijn gehouden of geplaatst werd in het buitenland, gelet op de internationale context; - het ligt voor de hand dat indien de feiten bewezen zouden zijn, de plegers van dergelijke misdrijven op voorhand rekening houden met de risico’s verbonden aan een gerechtelijke tussenkomst en preventief initiatieven nemen om de mogelijke opbrengsten optimaal te maskeren en te onttrekken aan het gerecht. Het arrest houdt bij het bepalen van het bedrag van de borgsom rekening met het volgende: - de kennelijke rol van de eiser binnen de onderzochte vereniging; - het vermoedelijk gegenereerde omvangrijke criminele vermogen van de vereniging; - het ernstige vermoeden dat de eiser zich hierdoor mogelijk persoonlijk op aanzienlijke wijze heeft verrijkt en mogelijk een deel van deze illegale opbrengsten verborgen houdt. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de invrijheidstelling van de eiser slechts kan worden toegestaan tegen onder meer de betaling van een borgsom van 50.000,00 euro. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.16 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230816.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.