id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 147
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 147- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.
OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 147- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0810.N A. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 147 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis oordeelt foutief dat de eiser niet vrijwillig is verschenen en dat het recht van verdediging is miskend; de raadsman van de eiser werd volgens het proces-verbaal van de rechtszitting in kennis gesteld van een aanvulling van de dagvaarding met een telastlegging C en dat eiser heeft zich daarop heeft kunnen verdedigen; de eiser was daar uiteraard mee akkoord; het recht van verdediging van de eiser kan bezwaarlijk zijn miskend.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief.
- Vrijwillige verschijning houdt in dat een beklaagde ermee instemt om voor een feit te worden vervolgd, dat niet aanhangig is bij de rechtbank. Die instemming moet blijken uit de stukken van de rechtspleging. Een vrijwillig verweer kan niet worden gelijk gesteld met een vrijwillige verschijning.
- Het staat aan de rechter te oordelen of een beklaagde daadwerkelijk vrijwillig is verschenen in die zin dat hij ermee heeft ingestemd te worden vervolgd voor een niet aanhangig gemaakt feit.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser werd gedagvaard voor de feiten van de telastleggingen A en B, de eerste rechter ter rechtszitting van 27 oktober 2021 de dagvaarding heeft aangevuld met een telastlegging C en dat het proces-verbaal van die rechtszitting vermeldt dat de raadsman van de eiser door de eerste rechter in kennis werd gesteld dat de dagvaarding werd aangevuld met een telastlegging C en dat die zich hierop zou verdedigen. Op grond van die vaststellingen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat daaruit niet volgt dat de eiser vrijwillig is verschenen, wat immers een vrije wilsuiting veronderstelt van een persoon die zich uitdrukkelijk akkoord verklaart om dadelijk zonder verdere formaliteiten voor een bepaald misdrijf te worden gevonnist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen A en B, maar motiveert niet waarom het verweer van de eiser dat zijn voertuig vooruit is gebold omdat de handrem niet was opgetrokken, van alle geloofwaardigheid is ontdaan.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het appelgerecht het door het middel bedoelde verweer heeft gevoerd. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- De overige in het middel vermelde wetsbepalingen en de in het middel vermelde algemene beginselen zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het bestreden vonnis oordeelt dat er sprake was van een aanrijding en leidt dat af uit een getuigenverklaring; de getuige heeft evenwel niet verklaard dat hij een aanrijding heeft gezien, wel enkel dat eisers wagen tegen een andere wagen was gereden; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van die getuigenverklaring.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis het algemeen beginsel van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De miskenning van de bewijskracht van een akte levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De rechter miskent slechts de bewijskracht van een akte, waarnaar hij verwijst, indien die uitlegging volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Er is geen miskenning van de bewijskracht van de akte, indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
- Met het door het middel bekritiseerde oordeel geeft het bestreden vonnis van de bedoelde akte een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div