← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.12 Rolnummer: P.22.0227.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-06-15 08:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit het oordeel van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 103/2021 van 8 juli 2021 volgt dat een beklaagde die werd geconfronteerd met een hoger beroep van het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering, recht had op een bijkomende termijn van tien dagen om eveneens hoger beroep in te stellen; daaruit kan enkel worden afgeleid dat een tijdig ingesteld volgberoep van een beklaagde niet onontvankelijk kan worden verklaard op grond van die bepaling, maar niet dat een niet of niet tijdig ingesteld volgberoep kan worden gelijkgesteld met een ingesteld hoger beroep

(1).
(1)Overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering kon het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, hoger beroep instellen binnen de veertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis; dit beroep diende op straffe van verval betekend te worden hetzij aan de beklaagde hetzij aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk partij. Deze bepaling werd opgeheven bij artikel 23 van de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis (BS 21 december 2022) Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 205 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 205 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De in artikel 12, tweede lid, Grondwet vermelde beginselen van legaliteit en voorzienbaarheid van de strafrechtspleging zijn van toepassing op de gehele strafrechtspleging en waarborgen aan iedere burger dat tegen hem een vervolging kan worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vooraf kennis heeft kunnen nemen; de loutere omstandigheid dat het Grondwettelijk Hof in artikel 205 Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door de wet van 6 december 2022, een ongrondwettigheid heeft vastgesteld in zoverre die procedurebepaling niet voorzag in een termijn voor een beklaagde om een volgberoep in te stellen, doet geen afbreuk aan de voorzienbare regel dat een door een rechterlijke beslissing beoordeelde zaak, of een onderdeel ervan, in beginsel slechts aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep op voorwaarde dat hoger beroep werd ingesteld tegen die beslissing of het desbetreffende onderdeel ervan. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Fiches 5 - 6 Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beklaagde zijn niet miskend door het loutere feit dat enkel het openbaar ministerie tegen hem hoger beroep heeft ingesteld; dat rechtsmiddel kan bovendien evenzeer tot zijn voordeel strekken. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.22.0227.N I-II-III D. R. J. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9030 Gent (Mariakerke), Durmstraat 29, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 mei 2017 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 maart 2019 (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 december 2021 (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan tegen het arrest III. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 12 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel: door te oordelen dat het hoger beroep van het openbaar ministerie betreffende de aan de eiser opgelegde geldboete ontvankelijk is en door te weigeren om het debat uit te breiden naar de schuldvraag, verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de saisine in hoger beroep te beperken tot het al dan niet opleggen van een geldboete, niet naar recht; doordat het openbaar ministerie hoger beroep instelde overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering, verschalkte het de eiser en was er voor hem geen eigen beroepsmogelijkheid meer voorhanden; bij arrest van 8 juli 2021 heeft het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid van die onmogelijkheid bevestigd, maar van de eiser kon twee jaar voorheen niet worden verwacht dat hij reeds op die uitspraak zou anticiperen; bijgevolg dienen de appelrechters ermee rekening te houden dat de eiser op het ogenblik dat hij zelf hoger beroep kon instellen, niet kon weten waar hij aan toe was.
  2. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest met het oordeel dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk is de aangehaalde bepalingen schendt of de aangehaalde beginselen miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - bij beschikking van de raadkamer van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 september 2016 werd de eiser naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de telastleggingen A, B, C en D (fiscale valsheid en gebruik van valse stukken inzake inkomstenbelastingen en BTW); - het arrest I verklaarde eisers hoger beroep daartegen ongegrond; - bij tussenvonnis van 24 oktober 2018 oordeelde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, dat het arrest I regelmatig was gewezen en verklaarde zij zich bevoegd om ten gronde te oordelen; - op het hoger beroep van de eiser vernietigde het arrest II dit tussenvonnis in zoverre het had geoordeeld dat het arrest I regelmatig was gewezen en bevestigde het dat vonnis in zoverre de correctionele rechtbank zich bevoegd had verklaard; daarop werd de zaak terug naar de correctionele rechtbank verzonden; - bij vonnis van 22 mei 2019 verklaarde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de eiser schuldig aan de telastleggingen A, B, C en D en veroordeelde zij hem voor deze vermengde feiten tot een gevangenisstraf van een jaar en een geldboete van 50.000,00 euro zonder verhoging met opdeciemen of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; - krachtens artikel 205 Wetboek van Strafvordering, zoals op dat ogenblik van toepassing, en bij op 27 juni 2019 aan de eiser betekend exploot stelde de procureur-generaal tegen het voormelde vonnis van 22 mei 2019 hoger beroep in met als enige grief de niet-verhoging met opdeciemen van de aan de eiser opgelegde geldboete; de eiser stelde tegen dit vonnis geen hoger beroep in; - bij tussenarrest van 24 juni 2020 stelden de appelrechters de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 203 en 205 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre de beklaagde geen wettelijke mogelijkheid heeft om binnen de 10 dagen hoger beroep aan te tekenen nadat het openbaar ministerie bij het appelgerecht ten aanzien van diezelfde beklaagde na het verstrijken van de termijn zoals bepaald in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep heeft ingesteld in de zin van artikel 205 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl het openbaar ministerie krachtens artikel 203, § 1 van het Wetboek van Strafvordering wel een bijkomende termijn van 10 dagen heeft om eveneens hoger beroep in te stellen, wanneer de beklaagde binnen de termijn zoals bepaald in artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep heeft ingesteld ?”; - in het arrest nr. 103/2021 van 8 juli 2021 antwoordde het Grondwettelijk Hof dat “artikel 205 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre het, wanneer het openbaar ministerie zijn beroep heeft beperkt tot bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg gewezen vonnis, voor de beklaagde die geen beroep heeft aangetekend op grond van de artikelen 203 en 204 van hetzelfde Wetboek, niet voorziet in een bijkomende termijn van tien dagen die volgen op de datum van de betekening van dat hoger beroep om volgberoep in te stellen.”; - het arrest III verklaart het hoger beroep van de procureur-generaal ontvankelijk, beperkt de saisine in hoger beroep tot de beoordeling van een geldboete en hervormt het beroepen vonnis door de eiser te veroordelen tot een geldboete van 10.000,00 euro na verhoging met opdeciemen gebracht op 60.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden.
  4. Uit het vermelde oordeel van het Grondwettelijk Hof volgt dat een beklaagde die werd geconfronteerd met een hoger beroep van het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering, recht had op een bijkomende termijn van tien dagen om eveneens hoger beroep in te stellen. Daaruit kan enkel worden afgeleid dat een tijdig ingesteld volgberoep van een beklaagde niet onontvankelijk kan worden verklaard op grond van die bepaling, maar niet dat een niet of niet tijdig ingesteld volgberoep kan worden gelijkgesteld met een ingesteld hoger beroep.
  5. De in artikel 12, tweede lid, Grondwet vermelde beginselen van legaliteit en voorzienbaarheid van de strafrechtspleging zijn van toepassing op de gehele strafrechtspleging en waarborgen aan iedere burger dat tegen hem een vervolging kan worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vooraf kennis heeft kunnen nemen. De loutere omstandigheid dat het Grondwettelijk Hof in artikel 205 Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door de wet van 6 december 2022, een ongrondwettigheid heeft vastgesteld in zoverre die procedurebepaling niet voorzag in een termijn voor een beklaagde om een volgberoep in te stellen, doet geen afbreuk aan de voorzienbare regel dat een door een rechterlijke beslissing beoordeelde zaak, of een onderdeel ervan, in beginsel slechts aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep op voorwaarde dat hoger beroep werd ingesteld tegen die beslissing of het desbetreffende onderdeel ervan.
  6. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beklaagde zijn niet miskend door het loutere feit dat enkel het openbaar ministerie tegen hem hoger beroep heeft ingesteld. Dat rechtsmiddel kan bovendien evenzeer tot zijn voordeel strekken.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Met de redenen die het bevat (p. 22-27) en het oordeel dat het appelgerecht enkel is gevat met het ontvankelijk hoger beroep van het openbaar ministerie en dat de saisine in hoger beroep beperkt is tot wat het openbaar ministerie als beroepsgrief heeft aangevoerd, verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 438,42 euro, waarvan op het cassatieberoep I 123,04 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep II 116,44 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep III 198,94 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.