← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.5 Rolnummer: P.22.1465.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-06-15 08:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Noch artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet noch het non bis in idem-beginsel noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verbieden dat ten aanzien van eenzelfde veroordeelde voor verschillende misdrijven waaraan hij schuldig wordt bevonden, telkens aan de voor elk voor die misdrijven opgelegde vervalverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig de door artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde herstelexamens en -onderzoeken worden gekoppeld. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de beslissing Nr. P.22.1465.N D. M. M. M. J., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Hilde Decleer, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 18 oktober

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de deskundige heeft op 3 juni 2022 zijn verslag neergelegd, terwijl de eiseres tot 6 juni 2022 opmerkingen kon meedelen; op die opmerkingen werd niet officieel geantwoord door de deskundige en de rechtbank nam er niet zelf rechtstreeks kennis van; er was een aanvullend onderzoek nodig, dat niet werd uitgevoerd; de eiseres had niet tijdig de oproep ontvangen en er werd geen nieuwe afspraak gemaakt, omdat de eiseres op de eerdere afspraak niet aanwezig was; de afwezigheid van een nieuwe oproep miskent het recht van verdediging van de eiseres; het aanvullend onderzoek was nodig omdat de eiseres aan de hand van bewijskrachtige stukken kon aantonen dat zij niet lichamelijk of geestelijk ongeschikt was tot het besturen van een voertuig.
  3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet het ontvankelijk.
  4. In zoverre het middel aanvoert dat een aanvullend onderzoek nodig was, dit onderzoek niet is gebeurd omdat de eiseres haar oproeping niet tijdig had ontvangen en er geen nieuwe afspraak werd vastgelegd, komt het niet op tegen het bestreden vonnis, maar bekritiseert het enkel het handelen van de deskundige. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  5. Het bestreden vonnis stelt vast dat de raadsman van de eiseres op 6 juni 2020 nog opmerkingen heeft geformuleerd op het voorverslag van de deskundige, die hij ondanks de neerlegging van het definitief verslag, nog gemotiveerd heeft beantwoord, alsook dat de rechtbank aan de hand van de pleitnota van de eiseres kennis heeft kunnen nemen van de door de eiseres geformuleerde opmerkingen en de hierop door de deskundige geformuleerde repliek. Aldus hebben de appelrechters kennis kunnen nemen van de opmerkingen en de repliek. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  6. Het bestreden vonnis oordeelt verder: “De rechtbank stelt derhalve vast dat de rechten van verdediging van [de eiseres] zijn gerespecteerd. De miskenning van de rechten van verdediging moeten immers worden getoetst aan de concrete realiteit en niet zuiver aan de formele aspecten, waarbij in casu de rechtbank vaststelt dat de [eiseres] haar opmerkingen op het voorverslag heeft geformuleerd, deze door de deskundige werden beantwoord en de rechtbank ervan kennis heeft genomen.” In zoverre het middel niet opkomt tegen deze redenen die de beslissing over de niet-miskenning van het recht van verdediging schragen, kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 195, tweede en zevende lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis verwijst naar het onderbouwd besluit van prof. dr. H.N., maar dat besluit is helemaal niet onderbouwd; er werd tevens geen antwoord gegeven op de extra vragen van de eiseres en op feiten die de eiseres aanhaalde met betrekking tot de herstelperiode om vanaf 18 augustus 2021 voor 24 maanden met een voorlopig rijbewijs te rijden mits her-evaluatie; de deskundige delegeerde het antwoord op de vragen van de eiseres en daardoor is het deskundigenverslag nietig; gelet op het motiveringsgebrek en op het nietige deskundigenverslag is de beslissing over de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet niet naar recht verantwoord.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat de deskundige het beantwoorden van opmerkingen heeft gedelegeerd, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat het besluit van de deskundige niet is onderbouwd, komt het op tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het niet ontvankelijk.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: “De deskundige antwoordt aan de [eiseres] dat hij zich enkel aan de objectieve gegevens (=de analyseresultaten) houdt en hij de beoordeling aan de soevereiniteit van de rechtbank overlaat, waarbij zijn verslag door de rechtbank als een advies wordt beoordeeld en de rechtbank de uiteindelijke beslissing neemt en hij zich van enig juridisch advies of juridische interpretatie onthoudt. Tevens merkt de deskundige op dat de bij de [eiseres] gemeten ethylglucuronide significant boven de internationaal geldende cutt-off van 30 pg/ng van de Society of Hair Testing ligt, hetgeen betekent dat het alcoholgebruik van de [eiseres] sterk verhoogd is. De deskundige stelt dat dit een globaal beeld betreft over de periode half januari 2022 tot half april
  11. Als antwoord op de opmerking van de [eiseres] dat zij door Dilopsy op 11 augustus 2012 geschikt werd bevonden om met een voorlopig rijbewijs te rijden gedurende 24 maanden mits herevaluatie repliceert de deskundige dat zijn onderzoek en dit van Dilopsy apart van elkaar moeten worden bekeken, daar ze anders zijn opgevat en over een andere periode kijken.” Met deze redenen beantwoordt het bestreden vonnis het ter zake door de eiseres gevoerde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 42 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat zij enkel in het weekend alcohol drinkt en dan niet met de wagen rijdt, maar nadien volkomen geestelijk en psychisch gezond is.
  14. Met de redenen die worden vermeld in het antwoord op het tweede middel, beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis het door de eiseres gevoerde verweer met betrekking tot de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet, zonder dat het afzonderlijk diende te antwoorden op het door het middel bedoelde argument dat louter werd aangevoerd ter ondersteuning van het verweer, zonder evenwel een zelfstandig verweer te vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het bestreden vonnis maakt het herstel in het recht op het besturen van alle voertuigen afhankelijk van het slagen in de vier examens en onderzoeken en zowel voor de feiten van de telastlegging A als voor de feiten van de telastlegging B; die beslissing moet minstens voor één telastlegging worden vernietigd.
  16. Noch artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet noch het non bis in idem-beginsel noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verbieden dat ten aanzien van eenzelfde veroordeelde voor verschillende misdrijven waaraan hij schuldig wordt bevonden, telkens aan de voor elk voor die misdrijven opgelegde vervalverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig de door artikel 38, 3, Wegverkeerswet bedoelde herstelexamens en -onderzoeken worden gekoppeld. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.