← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artikel 48MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Fiches 3 - 4 Het vonnis dat een beklaagde schuldig verklaart aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf moet vaststellen dat de rechterlijke beslissing tot vervallenverklaring waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor één of meerdere onderzoeken in kracht van gewijsde is gegaan; het bewijs van dit kracht van gewijsde-karakter moet blijken uit de aan de rechter overgelegde en voor de partijen beschikbare stukken, maar niet is vereist dat indien de beslissing bij verstek is gewezen de veroordelende beslissing uitdrukkelijk vaststelt dat de verstekbeslissing werd betekend of dat die veroordelende beslissing de datum van betekening uitdrukkelijk vermeldt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -

Artikel 48

REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 5 - 7 Een schuldigverklaring aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf vereist wel dat de beklaagde op het ogenblik van het besturen van een voertuig kennis had van de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van het slagen in een of meerdere examens en onderzoeken; de rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van die kennis en indien deze beveiligingsmaatregel is opgelegd met een verstekvonnis kan die kennis ook blijken uit andere gegevens dan de betekening van het verstekvonnis; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: WEGVERKEER -

Artikel 48MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.22.1335.N

  1. F. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mohamed Chaâban, advocaat bij de balie Brussel,
  2. B. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Mohamed Chaâban, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 15 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres voert grieven aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres
  4. De memorie van de eiseres werd ter griffie ontvangen op donderdag 1 december 2022, dit is buiten de in het artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn van twee maanden, die volgt op de verklaring van cassatieberoep van 30 september 2022 en die een einde nam op woensdag 30 november
  5. De memorie van de eiseres is bijgevolg wegens laattijdheid niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet volstaat voor een schuldigverklaring aan het misdrijf van artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet; deze kennisgeving heeft slechts betrekking op de uitvoering van het rijverbod als straf, maar niet op het afleggen van de herstelexamens nadat dit rijverbod is ondergaan; wanneer de verplichting tot het afleggen van de examens werd opgelegd met een verstekvonnis, wordt de kennisgevende rol vervuld door de betekening van het verstekvonnis overeenkomstig artikel 187 Wetboek van Strafvordering; het bestreden vonnis stelt niet vast of en wanneer de eiser kennis heeft kunnen krijgen of heeft gekregen van dit verstekvonnis en kon ook niet oordelen dat de eiser kennis had van het opleggen van de herstelexamens; dit vonnis werd immers bij verstek gewezen en er kon bijgevolg geen kennisname zijn door middel van een uitspraak op een openbare rechtszitting; de gegevens betreffende de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing en de nodige kennisgeving ervan zijn noodzakelijke elementen van de telastlegging; het bestreden vonnis stelt niet vast en kon evenmin oordelen dat was voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet; het dateert de kennisgeving niet en op basis van de stukken van het strafdossier kan die datum niet worden vastgesteld.
  7. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  8. Artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet stelt strafbaar hij die een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder het voorgeschreven onderzoek met goed gevolg te hebben ondergaan.
  9. Een schuldigverklaring aan dit misdrijf vereist geen voorafgaande bijzondere kennisgeving van de verplichting tot het afleggen van herstelexamens.
  10. Wel is vereist dat de rechterlijke beslissing tot vervallenverklaring waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor één of meerdere onderzoeken kracht van gewijsde heeft.
  11. Het vonnis dat een beklaagde schuldig verklaart aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf moet vaststellen dat de rechterlijke beslissing tot vervallenverklaring waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor één of meerdere onderzoeken in kracht van gewijsde is gegaan.
  12. Het bewijs van dit kracht van gewijsde-karakter moet blijken uit de aan de rechter overgelegde en voor de partijen beschikbare stukken.
  13. Niet is vereist dat indien de beslissing bij verstek is gewezen de veroordelende beslissing uitdrukkelijk vaststelt dat de verstekbeslissing werd betekend of dat die veroordelende beslissing de datum van betekening uitdrukkelijk vermeldt.
  14. Een schuldigverklaring aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf vereist wel dat de beklaagde op het ogenblik van het besturen van een voertuig kennis had van de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van het slagen in een of meerdere examens en onderzoeken. De rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van die kennis. Indien deze beveiligingsmaatregel is opgelegd met een verstekvonnis kan die kennis ook blijken uit andere gegevens dan de betekening van het verstekvonnis.
  15. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  16. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: - het dossier bevat een gewoon ongetekend afschrift van het Franstalige vonnis van de politierechtbank Brussel van 16 mei 2013 dat wat betreft de eiser bij verstek is gewezen; - het dossier bevat ook een afdruk van het informaticasysteem Mach waaruit blijkt dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; - tevens bevat het strafdossier een door de eiser ondertekende kennisgeving van het rijverbod met herstelexamens opgelegd bij dit vonnis; - in de kennisgeving wordt niet alleen de datum van het vonnis vermeld, maar ook de referentie ervan, de duur van het rijverbod en de opgelegde herstelexamens; - de eiser beklaagt zich er verder over dat hij geen ontvankelijk verzet meer kon aantekenen tegen het Franstalige verstekvonnis van de politierechtbank van 16 mei 2013 aangezien zijn verzet immers bij vonnis van 18 november 2020 onontvankelijk werd verklaard wegens verjaring van de straf; - de eiser stelt onwetend geweest te zijn betreffende dit verstekvonnis; - de eiser gaat schromelijk voorbij aan het gegeven dat hij wel degelijk kennis had van het vonnis van de politierechtbank Brussel van 16 mei 2013: hij ondertekende immers de kennisgeving van het opgelegde verval waarin dit vonnis wordt vermeld; - de eiser betwist het moreel bestanddeel van de telastlegging B: hij stelt nooit behoorlijk kennis te hebben gekregen van het verstekvonnis en toen hij er wel kennis van kreeg was het te laat; - de eiser werd wel degelijk ter kennis gebracht dat hij bij vonnis van de politierechtbank Brussel van 16 mei 2013 een rijverbod had opgelopen en dat hij het praktisch en theoretisch examen diende af te leggen; - de eiser ondertekende deze kennisgeving bovendien voor ontvangst. Het bestreden vonnis kan op grond van die redenen oordelen dat de eiser wel degelijk op de hoogte was van het bestaan van het verstekvonnis en van het daarmee opgelegde rijverbod en de herstelexamens. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 40 en 47 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser kennis heeft gekregen van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 16 mei 2013 van de Franstalige politierechtbank Brussel op 18 april 2014; deze datum van kennisgeving blijkt geenszins uit het betrokken stuk en de kennisgeving zelf, aangezien de verbalisant naliet het document te dagtekenen en het bestreden vonnis de datum van kennisname gelijk stelt met de datum waarop het rijverval een aanvang nam.
  19. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de datum van kennisname gelijk is aan de datum waarop het rijverval een aanvang nam. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijk grondslag.
  20. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbaar oordeel van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 40 en 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis is niet afdoende gemotiveerd daar het nalaat de correcte datum van kennisgeving op een voldoende nauwkeurige en correcte wijze vast te stellen; de gelijkstelling van de datum van kennisgeving met de datum waarop het rijverval inging, is strijdig met artikel 40 Wegverkeerswet; uit de kennisgeving kan louter worden afgeleid dat het verval een aanvang zou nemen op 18 april 2014; het bestreden vonnis kan niet oordelen dat de eiser op 18 april 2014 kennis kreeg van de opgelegde herstelexamens en bijgevolg wel degelijk op de hoogte was van het bestaan van het verstekvonnis en van het hierin opgelegde rijverbod en de herstelexamens; daarnaast is het bestreden vonnis niet wettig gemotiveerd daar het oordeelt dat de eiser op de hoogte was van de verplichte herstelexamens door de loutere kennisgeving betreffende de herstelexamens en het bijgevolg de kennisgeving van die examens gelijk stelt met de kennisname door middel van de uitspraak van het vonnis in openbare rechtszitting dan wel de betekening van het verstekvonnis.
  22. Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 790 en 794 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het vonnis van 16 mei 2013 in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij het bestreden vonnis enkel verwijst naar een afdruk van het informaticasysteem Mach en dit verder afleidt uit het feit dat dit vonnis is vermeld in een kennisgeving van een verval tot het recht van sturen; er kon niet worden gesteund op de afdruk uit dat informaticasysteem daar de eiser een rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit vonnis met als gevolg een nieuwe procedure en een nieuw vonnis; de eiser heeft het kracht van gewijsde-karakter van het vonnis betwist, alsook het bewijs ervan; op basis van een niet-ondertekend document zonder bevestiging dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft, kan het bestreden vonnis niet oordelen dat het openbaar ministerie slaagt in zijn bewijslast; het kan ook niet oordelen dat de vonnissen van 25 maart 2019 en van 24 oktober 2017 van respectievelijk de politierechtbank Aalst en de Franstalige politierechtbank Brussel kracht van gewijsde hadden; het bestreden vonnis gaat voorbij aan de door artikel 790 Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven nietigheid daar een ongetekende uitgifte van het vonnis werd afgeleverd, waaraan geen formulier van tenuitvoerlegging is gehecht; het bestreden vonnis kan dan niet wettig de toestand van herhaling en van verzwaring aannemen, alsook het bewezen zijn van de door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde inbreuk.
  24. Het bestreden vonnis baseert de toestand van herhaling en verzwaring niet op een vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 24 oktober 2017 en het stelt ook niet vast dat een ongetekende uitgifte van de vonnissen van de Franstalige politierechtbank Brussel van 16 mei 2013 en van de politierechtbank Aalst van 25 maart 2019 werden overgelegd. Het stelt wel vast dat het dossier een gewoon niet-getekend afschrift van deze vonnissen bevat. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  25. De rechter kan een beklaagde maar schuldig verklaren aan een inbreuk op artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet als hij vaststelt dat een rechterlijke beslissing tot vervallenverklaring waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor één of meerdere examens of onderzoeken, in kracht van gewijsde is gegaan. Het bewijs daarvoor dient te blijken uit de aan de rechter overgelegde en voor de partijen beschikbare stukken.
  26. De rechter kan een toestand van herhaling en verzwaring slechts aannemen als hij vaststelt dat de bestanddelen voor die herhaling en verzwaring en de daarvoor geldende voorwaarden verenigd zijn. Het bewijs daarvoor dient te blijken uit de aan de rechter overgelegde en voor de partijen beschikbare stukken.
  27. Het openbaar ministerie draagt als vervolgende partij de bewijslast voor het voldaan zijn aan de constitutieve bestanddelen van het misdrijf en aan de voorwaarden voor de toestand van herhaling en verzwaring.
  28. Het bewijs van een vroegere veroordeling die kracht van gewijsde heeft, wordt in de regel geleverd door een door de griffier uitgereikt afschrift van de veroordelende beslissing of uittreksel met de vermelding dat die beslissing kracht van gewijsde heeft. Dit bewijs kan door het openbaar ministerie evenwel ook met andere middelen worden geleverd. De afwezigheid van betwisting door de beklaagde op dit punt kan in aanmerking worden genomen.
  29. De rechter oordeelt onaantastbaar of het openbaar ministerie slaagt in zijn bewijslast.
  30. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  31. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  32. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het dossier bevat een gewoon ongetekend afschrift van het vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 16 mei 2013 dat wat de eiser betreft bij verstek werd gewezen; - het dossier bevat ook een afdruk van het informaticasysteem Mach waaruit blijkt dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; - het vonnis van 16 mei 2013 wordt door het openbaar ministerie aangewend als grondslag voor de telastlegging; - eisers verzet werd bij vonnis van 18 november 2020 onontvankelijk verklaard wegens verjaring van de straf; - de rechtbank is niet bevoegd dit verzet van de eiser opnieuw te beoordelen, laat staan om de juridische gevolgen van het niet-ontvankelijk verklaren van het verzet van de eiser terzijde te schuiven; - anders dan de eiser voorhoudt, bevat het dossier geen uitgifte maar een gewoon ongetekend afschrift van het vonnis van de politierechtbank Aalst van 25 maart 2019 dat wat betreft de eiser bij verstek werd gewezen; - het dossier bevat ook een afdruk van het informaticasysteem waaruit blijkt dat dit vonnis in kracht van gewijsde is getreden; - de eiser betwist als zodanig niet dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Op grond van die gegevens kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de vonnissen van 16 mei 2013 en 25 maart 2019 kracht van gewijsde hadden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 22 Wegverkeerswet en de artikelen 29 en 34 van de Wet op het Politieambt: het bestreden vonnis oordeelt dat de interceptie van de eiser tot stand is gekomen in het kader van een gewone verkeerscontrole, terwijl het dit niet vaststelt en dit ook niet blijkt uit het aanvankelijk proces-verbaal; uit het strafdossier blijkt niet dat de verbalisant belast was met een verkeerscontrole; het bestreden vonnis kon niet op basis van de zich in het strafdossier bevindende processen-verbaal oordelen dat de verbalisant was belast met verkeerscontroles, daar dit niet wordt vastgesteld in die processen-verbaal.
  34. Het middel, dat geen miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, komt op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de aan de rechter overgelegde bewijsgegevens of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.