id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.9 Rolnummer: P.23.0143.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 651 - laatst gezien 2026-06-18 19:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Noch artikel 9, § 3, Basiswet, dat bepaalt dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld constructief mee te werken aan de realisering van een individueel detentieplan, noch artikel 21 Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie omschrijft, noch artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering dat de tegenaanwijzingen bevat voor onder meer de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie, verzetten zich tegen een afwijzing door de strafuitvoeringsrechtbank van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie wegens het bestaan van een risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, dat is gegrond op het ontbreken van een nuttige dagbesteding en de afwezigheid van daadwerkelijk perspectief op tewerkstelling; de omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank aan de veroordeelde uitgaansvergunningen heeft toegekend met het oog op de uitwerking van een dagbesteding en het zoeken naar werk doet daaraan niets af. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - 12-01-2005 - Art. 9, § 3 - 39 ELI link Pub nr 2005009033 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 21 en 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Het toekennen van uitgaansvergunningen overeenkomstig artikel 59 Wet Strafuitvoering creëert voor de veroordeelde geen recht op de strafuitvoeringsmodaliteit waarvoor die uitgaansvergunningen werden toegekend; die toekenning ontslaat de strafuitvoeringsrechtbank niet van de verplichting te onderzoeken of er één of meerdere tegenaanwijzingen voorhanden zijn als bedoeld door artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 47, § 1, en 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0143.N C. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 23 januari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het vonnis wijst het op artikel 59 Wet Strafuitvoering gegronde verzoek om uitgaansvergunningen af. 2. Dat is geen beslissing waartegen overeenkomstig artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering cassatieberoep openstaat. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 9, § 3, van de wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van gedetineerden (hierna Basiswet) en de artikelen 21, 47, § 1 en 59 Wet Strafuitvoering: het vonnis kan de afwijzing van het verzoek om beperkte detentie niet verantwoorden met het oordeel dat eisers begeleiding een zekere tijd moet lopen, dat er een evaluatie moet gebeuren en meer in het bijzonder dat het ontbreekt aan een nuttige dagbesteding en er geen daadwerkelijk perspectief is op tewerkstelling; de strafuitvoeringsrechtbank heeft immers met vonnissen van 14 oktober 2022 en 28 november 2022 uitgaansvergunningen toegekend om de begeleiding uit te werken en om de gevraagde uitvoeringsmodaliteit toe te kennen en in het bijzonder voor wat betreft de uitwerking van dagbesteding en het zoeken naar werk. 4. Noch artikel 9, § 3, Basiswet, dat bepaalt dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld constructief mee te werken aan de realisering van een individueel detentieplan, noch artikel 21 Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie omschrijft, noch artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering dat de tegenaanwijzingen bevat voor onder meer de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie, verzetten zich tegen een afwijzing door de strafuitvoeringsrechtbank van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie wegens het bestaan van een risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, dat is gegrond op het ontbreken van een nuttige dagbesteding en de afwezigheid van daadwerkelijk perspectief op tewerkstelling. De omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank aan de veroordeelde uitgaansvergunningen heeft toegekend met het oog op de uitwerking van een dagbesteding en het zoeken naar werk doet daaraan niets af. Het toekennen van uitgaansvergunningen overeenkomstig artikel 59 Wet Strafuitvoering creëert voor de veroordeelde geen recht op de strafuitvoeringsmodaliteit waarvoor die uitgaansvergunningen werden toegekend. Die toekenning ontslaat de strafuitvoeringsrechtbank niet van de verplichting te onderzoeken of er één of meerdere tegenaanwijzingen voorhanden zijn als bedoeld door artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. In zoverre het middel ook is gericht tegen het oordeel dat “de begeleiding slechts een aanvang (nam) en een zekere tijd (zal) moeten lopen alvorens deze enig resultaat teweeg kan brengen. Vervolgens zal een evaluatie daarvan noodzakelijk zijn om te kunnen inschatten of deze een gunstige invloed kan hebben (…)”, bekritiseert het een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.9 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.