← België

A. contra FLUVIUS Antwerpen

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1 Rolnummer: P.22.1363.N Zaak: A. contra FLUVIUS Antwerpen Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-03-03 Raadplegingen: 823 - laatst gezien 2026-06-19 00:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de appelrechter de redenen van het beroepen vonnis overneemt en zich die redenen zo eigen maakt; aldus bevat de beslissing van de appelrechter wel degelijk een eigen redengeving. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 3 - 4 Of de appelrechter een reële en meetbare strafvermindering heeft toegepast ter remediëring van de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, moet niet worden beoordeeld op basis van de door de eerste rechter uitgesproken bestraffing, maar wel op basis van de straf die de appelrechter zou hebben opgelegd indien hij geen overschrijding had vastgesteld ; uit het enkele feit dat de appelrechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt eenzelfde straf uitspreekt als de eerste rechter die een dergelijke overschrijding niet had vastgesteld, kan dan ook niet worden afgeleid dat die overschrijding niet is geremedieerd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1363.N I A. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. II H. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nino Darsalia, advocaat bij de balie Oudenaarde, met kantoor te 9630 Zwalm, Steenweg 119, waar de eiser woonplaats kiest, tegen FLUVIUS ANTWERPEN ov, met zetel te 2660 Antwerpen (Hoboken), Antwerpsesteenweg 260, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 september 2022. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster II, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster II, is het cassatieberoep van de eiser II niet ontvankelijk. Middel van de eiser II 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het motiveringsbeginsel: het arrest miskent eisers recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; het arrest oordeelt terecht dat de redelijke termijn is overschreden, maar verbindt er geen gevolg aan, aangezien de door de eerste rechter uitgesproken straf wordt bevestigd en dit zonder de strafverzwaring te motiveren; het arrest motiveert ook niet waarom geen straf met uitstel wordt verleend, iets waartegen de procureur-generaal zich niet had verzet; doordat het arrest tevens verwijst naar de motivering van de eerste rechter, miskent dit het motiveringsbeginsel want een rechterlijke beslissing moet een eigen redengeving bevatten. 3. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de appelrechter de redenen van het beroepen vonnis overneemt en zich die redenen zo eigen maakt. Aldus bevat de beslissing van de appelrechter wel degelijk een eigen redengeving. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het arrest oordeelt dat het gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de eiser II niet gepast is om aan de eiser uitstel van tenuitvoerlegging van de straf te verlenen, al dan niet gekoppeld aan probatievoorwaarden. Het wijst erop dat de eiser II al correctionele antecedenten heeft en strafbare feiten blijft plegen, een uitstel van tenuitvoerlegging geen gepast signaal zou zijn, de feiten daarvoor te ernstig zijn en de eiser II zich in de gevangenis dient te bezinnen over zijn daden. Aldus vermeldt het arrest wel degelijk de redenen om geen uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 5. Of de appelrechter een reële en meetbare strafvermindering heeft toegepast ter remediëring van de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, moet niet worden beoordeeld op basis van de door de eerste rechter uitgesproken bestraffing, maar wel op basis van de straf die de appelrechter zou hebben opgelegd indien hij geen overschrijding had vastgesteld. Uit het enkele feit dat de appelrechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt eenzelfde straf uitspreekt als de eerste rechter die een dergelijke overschrijding niet had vastgesteld, kan dan ook niet worden afgeleid dat die overschrijding niet is geremedieerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 192,01 euro, waarvan eiser I 96 euro is verschuldigd, en eiser II 96,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.