← België

SLEDERLO YUNUS EMRE DIYANETMOSKEE SOCIA contra J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: IMMUNITEIT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 59, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1582.N

  1. SLEDERLO YUNUS EMRE DIYANET MOSKEE, SOCIALE, CULTURELE EN SPORT VERENIGING (INTERNATIONALE VERENIGING DIYANET VAN BELGIË) vzw, met zetel te 3600 Genk, Wintergroenstraat 61, burgerlijke partij,
  2. ASSOCIATION INTERNATIONALE DIYANET DE BELGIQUE vzw, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Haachtse Steenweg 67, burgerlijke partij, eiseressen, met als raadsman mr. Kursat Bilge, advocaat bij de balie Brussel, en mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Gent, tegen C. J., inverdenkinggestelde, verweerder, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 november
  3. De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 10 februari 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 28 februari 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen en de memorie
  4. De cassatieberoepen zijn niet betekend en de memorie is niet ter kennis gebracht aan het openbaar ministerie, zoals bepaald in de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering.
  5. In zoverre de cassatieberoepen zijn ingesteld tegen de beslissing van het arrest over de kosten van de strafvordering en de memorie op die beslissing betrekking heeft, zijn de cassatieberoepen en de memorie niet ontvankelijk. Middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 59 Grondwet, alsmede miskenning van het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel: het arrest verklaart de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiseressen tegen de verweerder niet ontvankelijk op grond van diens parlementaire onschendbaarheid; aldus ontzegt het arrest aan de eiseressen het recht op toegang tot de rechter; de parlementaire onschendbaarheid beschermt een parlementslid immers gedurende de ganse zittingsperiode en tijdens zijn ganse parlementaire carrière tegen alle vorderingen op strafgebied wegens misdrijven gepleegd zowel tijdens als buiten de uitoefening van zijn ambt; de parlementaire onschendbaarheid strekt enkel tot waarborg van de vrije uitoefening van het parlementair ambt en van de onafhankelijkheid en de integriteit van het parlement als geheel; zij rechtvaardigt geen ongebreideld persoonlijk voorrecht van het parlementslid; de kans dat de eiser de facto niet of niet tijdig zal worden vervolgd voor de aangeklaagde misdrijven enkel omdat hij parlementslid is, is onevenredig groot gelet op zijn mogelijk jarenlange onschendbaarheid; het arrest beantwoordt niet de argumentatie vervat in de appelconclusie van de eiseressen.
  7. Het Handvest Grondrechten EU heeft geen algemene reikwijdte en is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het middel de schending van artikel 47 Handvest Grondrechten EU aanvoert, faalt het naar recht.
  8. Artikel 59 Grondwet, dat krachtens artikel 120 Grondwet eveneens van toepassing is op ieder lid van een Gemeenschaps- of Gewestparlement, bepaalt: - in het eerste lid: “Behalve bij ontdekking op heterdaad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan een lid deel uitmaakt”; - in het vierde lid: “De vervolging in strafzaken van een lid van een van beide Kamers kan, tijdens de zitting, enkel worden ingesteld door de ambtenaren van het openbaar ministerie en de bevoegde ambtenaren.”
  9. Die bepalingen beletten niet dat de strafvordering wordt ingesteld tegen een parlementslid, maar onderwerpen dat initiatief enkel aan bijkomende voorwaarden opdat het parlement als geheel en de parlementsleden individueel niet zonder een gegronde reden zouden worden gehinderd in de normale uitoefening van hun werkzaamheden. De parlementaire onschendbaarheid van artikel 59, vierde lid, Grondwet geldt dan ook enkel tijdens de parlementaire zittingen binnen de zittingsperiode waarvoor het parlementslid is verkozen, met uitsluiting van de periodes tussen de jaarlijkse sluiting en opening van de zitting en na de ontbinding van het parlement. Aldus is de onschendbaarheid van het parlementslid, nog afgezien van het hypothetische karakter van zijn herverkiezing, in de tijd beperkt.
  10. Artikel 63 Wetboek van Strafvordering laat toe dat degene die beweert schade te lijden ingevolge een misdaad of een wanbedrijf, daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht doet en zich burgerlijke partij stelt. Aldus kan een burger bij uitzondering de strafvordering instellen. Op grond van artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de burgerlijke rechtsvordering wegens een misdrijf tezelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering of afzonderlijk worden vervolgd. Artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt evenwel dat de rechtsvordering tot toepassing van de straffen niet kan worden uitgeoefend dan door de ambtenaren die de wet daarmee belast. Dit zijn in de regel de ambtenaren van het openbaar ministerie. Aldus wordt de uitoefening of de verdere uitoefening van de strafvordering in elk geval enkel door die ambtenaren benaarstigd, ongeacht door wie of hoe de strafvordering is ingesteld.
  11. Artikel 6.1 EVRM vereist niet dat een persoon die beweert schade te lijden ingevolge een feit dat hij omschrijft als een wanbedrijf of een misdaad, beschikt over de in het Belgische recht bepaalde mogelijkheid om de strafvordering in te stellen tegen degene die hij aansprakelijk acht voor zijn schade. Wel vereist het recht op toegang tot de rechter dat die persoon over voldoende andere mogelijkheden beschikt om de vergoeding van zijn schade in rechte te vorderen. Dit kan de beweerde schadelijder doen door schadevergoeding van het parlementslid te eisen voor de burgerlijke rechter, door klacht tegen het parlementslid neer te leggen bij de bevoegde vervolgingsinstantie of door zich burgerlijke partij te stellen voor de strafrechter waarbij het openbaar ministerie de zaak tegen het parlementslid aanhangig heeft gemaakt na het verlof van het betrokken parlement zoals bedoeld in artikel 59, eerste lid, Grondwet te hebben ontvangen. Niets belet bovendien dat het openbaar ministerie reeds vóór het verkrijgen van dat verlof een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek instelt, in het kader waarvan bewijsmateriaal kan worden gevrijwaard.
  12. Hieruit volgt dat artikel 59, vierde lid, Grondwet het recht op toegang tot de rechter van een beweerde schadelijder niet onevenredig beperkt en artikel 6.1 EVRM niet schendt. De omstandigheden dat de hier bedoelde parlementaire onschendbaarheid betrekking heeft op alle misdaden en wanbedrijven waarvan het parlementslid kan worden beticht en dat die onschendbaarheid enige tijd kan duren, doen daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het eveneens naar recht.
  13. Met de redenen die het overneemt van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en die het zelf bevat, beantwoordt het arrest de argumentatie van de eiseressen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 93,91 euro, waarvan 58,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.