← België

M. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.2 Rolnummer: P.22.1411.N Zaak: M. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-03 Raadplegingen: 842 - laatst gezien 2026-06-18 21:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 Fiches 1 - 2 Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en hem door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend, dan wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor deze voorlopige invrijheidstelling; indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM en Cass. 8 februari 2023, AR P.22.1021.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4, AC 2023, nr. …. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 56, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1411.N E. M., beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  1. L. H., burgerlijke partij,
  2. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 oktober
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 15 februari 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 28 februari 2023 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, Strafwetboek: het arrest neemt op basis van het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 mei 2010, waarbij de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijfenveertig maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van vijf jaar voor een gedeelte groot tien maanden, ten onrechte de toestand van wettelijke herhaling aan; de eiser zat voor wat betreft het effectief gedeelte van die straf in voorlopige hechtenis van 14 november 2008 tot en met 28 april 2009, hij werd na zijn veroordeling opnieuw opgesloten en verkreeg strafeinde op 28 januari 2016, namelijk bij het aflopen van de proeftijd ingevolge de hem door de strafuitvoeringsrechtbank bij vonnis van 22 december 2013 toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied; de vijfjarige termijn van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek nam een aanvang op het ogenblik van het beëindigen van de proeftijd; voor wat betreft de met uitstel verleende hoofdgevangenisstraf van tien maanden nam de in artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bedoelde termijn van vijf jaar een aanvang bij het verstrijken van de uitstelproeftijd, te rekenen vanaf de beslissing die het uitstel heeft verleend; het arrest neemt ten onrechte aan dat de proeftijd met betrekking tot de met uitstel verleende hoofdgevangenisstraf een aanvang nam op het ogenblik van het verstrijken van de proeftijd voor de door de strafuitvoeringsrechtbank toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
  6. Artikel 56, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat ingeval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, de veroordeelde kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de bij de wet bepaalde straf, indien hij het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard.
  7. Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging, wordt die straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd.
  8. Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en hem door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend, dan wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor deze voorlopige invrijheidstelling.
  9. Indien een beklaagde wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, die deels effectief en deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt uitgesproken en aan die beklaagde door de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied is toegekend, wordt de straf geacht te zijn ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op het einde van de proeftijd die geldt voor de toegekende voorlopige invrijheidstelling dan wel bij het einde van de aan het uitstel verbonden proeftijd indien die zich daarna situeert en omgekeerd.
  10. Volgens het hier toepasselijke artikel 71, tweede lid, Wet Strafuitvoering is de proeftijd bij de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moet ondergaan op het ogenblik van de toekenning van deze strafuitvoeringsmodaliteit, zonder dat de proeftijd korter mag zijn dan twee jaar.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de eiser werd bij in kracht van gewijsde getreden arrest van het hof van beroep te Gent van 12 mei 2010 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vierenvijftig maanden, met uitstel gedurende een termijn van vijf jaar voor een gedeelte groot tien maanden; - de eiser zat voor de feiten waarvoor hij bij arrest van 12 mei 2010 werd veroordeeld in voorlopige hechtenis van 14 november 2008 tot en met 28 april 2009 en in strafuitvoering vanaf 12 mei 2010 tot 22 december 2013; - aan de eiser werd bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 8 december 2013 de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied toegekend; - de eiser verkreeg strafeinde op 28 januari 2016, dit is na het verstrijken van de proeftijd verbonden aan de hem toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied; - de feiten waaraan de eiser met het thans bestreden arrest werd schuldig verklaard dateren van 21 maart
  13. Daaruit volgt dat de eiser moet worden geacht de hem met het arrest van 12 mei 2010 opgelegde hoofdgevangenisstraf te hebben ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek op 28 januari 2016, zodat de in deze bepaling bedoelde termijn van vijf jaar dan een aanvang nam om te eindigen op 27 januari
  14. Het bestreden arrest (p. 25, derde alinea) dat oordeelt dat de aan de eiser met het arrest van 12 mei 2010 opgelegde hoofdgevangenisstraf van vierenvijftig maanden, waarvan tien maanden met uitstel voor een periode van vijf jaar, slechts is ondergaan in de zin van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek, na het einde van de uitstelproeftijd van vijf jaar welke slechts ingaat “op de dag waarop de duur van de in kracht van gewijsde gegane effectieve gevangenisstraf verstrijkt”, schendt artikel 56, tweede lid, Strafwetboek. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
  15. De vernietiging van de vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling leidt tot de vernietiging van de beslissing over de straf en de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar het laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het voor wat betreft de eiser de toestand van wettelijke herhaling op basis van het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 mei 2010 vaststelt en de eiser tot straf en de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op é,86 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.