← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.21 Rolnummer: P.23.0254.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-03-03 Raadplegingen: 811 - laatst gezien 2026-06-18 19:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Volgens artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet is de beschikking tot handhaving van de hechtenis één maand geldig vanaf de dag waarop ze wordt gegeven; noch de tekst van artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet noch enige andere bepaling van de Voorlopige Hechteniswet verzetten zich ertegen dat de berekening van de bedoelde termijn van een maand overeenkomstig artikel 2 Gerechtelijk Wetboek gebeurt volgens de artikelen 52 tot 54 Gerechtelijk Wetboek; uit de artikelen 52 tot 54 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de bedoelde termijn van een maand wordt gerekend van middernacht tot middernacht, vanaf de dag na die van de akte die hem doet ingaan en alle dagen omvat met inbegrip van de vervaldag en wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste

(1).
(1)Cass. 4 mei 2005, AR P.05.0592.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050504.6, AC 2005, nr. 263; Cass. 16 juni 1993, AR P.93.0889.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17, AC 1993, nr. 290, met concl. van procureur-generaal E. LIEKENDAEL op datum in Pas., RDPC 1993, 891 noot J. DE CODT, JT 1994, 18, JLMB 1994, 740; Cass. 16 februari 1993, AR P.93.0228.N, AC 1993, nr. 99, RW 1993-94, 60. Voor toepassing van art. 52 Ger. W. in zaken van voorlopige hechtenis zie ook Cass. 26 november 2019, AR P.19.1147.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.16, AC 2019, nr. 629 met concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 6 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 2, 52, 53 en 54 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Artikel 25, zevende lid, Strafwetboek dat de duur van de gevangenisstraf regelt, heeft geen uitstaans met de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijnen
(1).
(1)Cass. 21 september 1993, AR P.93.1298.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930921.9, AC 1993, nr. 364, RDPC 1994, 672, R.Cass. 1993, 221 noot E. MEERSSCHAUT. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 25, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 6 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 Artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in paragraaf 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is, een rechtscollege ingeval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, niet ertoe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen
(1).
(1)Cass. 24 oktober 2017, AR P.17.1001.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.5, AC 2017, nr. 588; Cass. 16 maart 2011, AR P.11.0441.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2, AC 2011, nr. 204; Cass. 21 september 1993, AR P.93.1298.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930921.9, AC 1993, 791, RDPC 1994, 672, R.Cass. 1993, 221 noot E. MEERSSCHAUT. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0254.N B. J. C. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 februari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de termijn van de handhaving van de hechtenis begint te lopen de dag na de beschikking tot handhaving en niet vanaf de dag van deze beschikking; aldus miskent het arrest de duidelijke tekst van deze bepaling, die geen interpretatie behoeft.
  3. Volgens artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet is de beschikking tot handhaving van de hechtenis één maand geldig vanaf de dag waarop ze wordt gegeven.
  4. Noch de tekst van artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet noch enige andere bepaling van de Voorlopige Hechteniswet verzetten zich ertegen dat de berekening van de bedoelde termijn van een maand overeenkomstig artikel 2 Gerechtelijk Wetboek gebeurt volgens de artikelen 52 tot 54 Gerechtelijk Wetboek.
  5. Uit de artikelen 52 tot 54 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de bedoelde termijn van een maand wordt gerekend van middernacht tot middernacht, vanaf de dag na die van de akte die hem doet ingaan en alle dagen omvat met inbegrip van de vervaldag en wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Het arrest dat aldus oordeelt en beslist dat de op 3 februari 2023 gewezen beroepen beschikking tijdig is gewezen, dit is binnen de termijn van een maand na de op 3 januari 2023 gewezen beschikking welke een aanvang nam op 4 januari 2023, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 25, laatste lid, Strafwetboek: het arrest berekent de in artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn ten onrechte overeenkomstig artikel 54 Gerechtelijk Wetboek; bij afwezigheid van enige bepaling in de Voorlopige Hechteniswet over de berekening van de daarin bepaalde termijnen moet de algemene regeling van het Strafwetboek worden toegepast; een voorlopige hechtenis-maatregel is qua impact identiek aan de strafuitvoering die in de gevangenis wordt ondergaan.
  8. Artikel 25, zevende lid, Strafwetboek dat de duur van de gevangenisstraf regelt, heeft geen uitstaans met de in de Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijnen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert ten onrechte aan het Grondwettelijk Hof de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag betreffende het niet te verantwoorden onderscheid tussen artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet en artikel 25, laatste lid, Strafwetboek te stellen; de gehanteerde motivering biedt daarvoor geen verantwoording. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest diende noodzakelijkerwijze het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm te betrekken in de beoordeling over de aangevoerde klaarblijkelijke ongelijke behandeling, zodat het gehouden was de prejudiciële vraag te stellen. Aan het Hof wordt gevraagd zelf aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet, geïnterpreteerd in die mate dat één maand voorlopige hechtenis niet gelijk is aan dertig dagen gevangenisstraf in de zin van artikel 25, laatste lid, Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet?”
  10. Artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in paragraaf 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is, een rechtscollege ingeval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, niet ertoe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen.
  11. Met het oordeel dat de eigenheid en de doeleinden van de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis inzonderheid de daarin dwingend vastgelegde zeer korte termijn om over de handhaving inzake een voorlopige hechtenis te beslissen, het in deze aangelegenheid stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof in de weg staan, alsook dat klaarblijkelijk artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt, past het arrest de in artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof vastgelegde weigeringsgrond toe en verantwoordt het naar recht de beslissing geen prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het middel kan niet worden aangenomen.
  12. Aangezien de voorliggende procedure een procedure is ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis, er bij het Hof geen ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van artikel 21, § 6, Voorlopige Hechteniswet met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel en in dat verband geen vraag hangende is bij het Grondwettelijk Hof, stelt het Hof bij toepassing van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof deze prejudiciële vraag niet. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930921.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050504.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.