id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.22 Rolnummer: P.23.0264.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-03 Raadplegingen: 622 - laatst gezien 2026-06-16 07:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De gevaren dat een inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, zoals bepaald in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zijn gevaren die zich op grond van de gegevens waarover het onderzoeksgerecht op het moment van zijn beslissing beschikt, kunnen voordoen tijdens de periode die volgt op de hypothetische invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde; feitelijke omstandigheden die zich tijdens dezelfde periode kunnen voordoen en die een impact kunnen hebben op de effectieve realisatie van die gevaren, zoals de vrijlating van de inverdenkinggestelde in het kader van de strafuitvoering waarin hij zich op het moment van de beslissing van het onderzoeksgerecht bevindt, zijn geen hypothetische toekomstige gebeurtenissen, maar actuele omstandigheden die het onderzoeksgerecht in antwoord op het verweer van de inverdenkinggestelde kan betrekken bij het oordeel over het al dan niet handhaven van zijn voorlopige hechtenis. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0264.N F. C. C. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, de overweging 30 en artikel 7 van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en de artikelen 16, 21, 22, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: na te hebben vermeld dat eisers raadsman heeft gevraagd te noteren “dat het openbaar ministerie verklaart dat een laatste verhoor van [C.S.] werd gevoegd aan het dossier”, oordelen de appelrechters dat uit niets blijkt en de eiser niet aannemelijk maakt dat het strafdossier op het moment van hun beoordeling niet alle stukken in verband met de handhaving van eisers voorlopige hechtenis bevat waarover de onderzoeksrechter beschikt; noch de eiser noch zijn raadslieden hebben inzage gekregen van de stukken die verband houden met de verklaringen van C.S. en Y.S., hoewel die stukken ter sprake komen in de mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter rechtszitting en in zijn schriftelijke vordering, waarvan het arrest de redenen overneemt; deze stukken bevinden zich niet in het strafdossier dat de eiser en zijn raadslieden voorafgaand aan de rechtszittingen van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling hebben kunnen inzien; eisers raadsman heeft dat ter rechtszitting opgemerkt zoals vermeld.
- Noch uit het arrest noch uit de overige stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het dossier waarover achtereenvolgens de onderzoeksrechter, de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling hebben beschikt en dat de eiser of zijn raadslieden hebben kunnen inzien in de verschillende stadia van de rechtspleging betreffende de handhaving van de voorlopige hechtenis, niet de in het middel vermelde stukken bevat. De in het arrest vermelde bemerking van eisers raadsman ter rechtszitting doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat bijgevolg verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 16 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld en de eerbiediging van het gezag van gewijsde in strafzaken: met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie neemt het arrest als schuldaanwijzing lastens de eiser aan dat het hof van beroep te Antwerpen hem in het verleden heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor inbreuken op de drugwetgeving en afpersing en dat hij op dit ogenblik zijn straf hiervoor uitzit; het arrest oordeelt ook dat er lastens de eiser, gelet op zijn strafregister, minstens ernstige aanwijzingen zijn dat de eiser zal recidiveren; uit de stukken van het strafdossier, met inbegrip van eisers strafregister, blijkt dat het hof van beroep te Antwerpen de eiser wel heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, maar dat dit geenszins was voor inbreuken op de drugwetgeving; aldus verklaart het arrest de eiser schuldig aan een misdrijf waarvoor hij niet is vervolgd en a fortiori niet is veroordeeld.
- Het arrest steunt het oordeel dat er lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan voor de hem ten laste gelegde drugmisdrijven in vereniging en deelname aan een criminele organisatie niet louter op het gegeven dat het hof van beroep te Antwerpen hem bij het arrest van 12 maart 2020 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar specifiek wegens inbreuken op de drugwetgeving, maar ook op een omstandig geheel van andere in de vordering van het openbaar ministerie vermelde feitelijke omstandigheden (p. 9-18) die het arrest in aanmerking neemt als ernstige schuldaanwijzingen.
- In dezelfde zin steunt het arrest het gevaar voor recidive als grondslag voor de handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet louter op de vermelde veroordeling, maar ook op een geheel van andere feitelijke omstandigheden die het overneemt van de vordering van het openbaar ministerie (p. 18-21). Uit die gegevens leidt het arrest eveneens de gevaren voor onttrekking en collusie af.
- Het onderdeel dat niet opkomt tegen die redenen die het arrest aanneemt als schuldaanwijzingen en als risico op recidive, alsook als risico op onttrekking en collusie, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 16 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie dat de eiser cannabisplantages zou hebben beheerd en ook de productie van synthetische drugs, minstens het invoeren van precursoren zou hebben georganiseerd; die bewering, waarop het arrest de handhaving van eisers voorlopige hechtenis steunt, blijkt uit geen enkel stuk van het strafdossier.
- Het onderdeel dat verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 16, 22, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest oordeelt dat het gegeven dat de eiser zich thans in strafuitvoering bevindt naar aanleiding van een veroordeling door het hof van beroep te Antwerpen niets afdoet aan de bestaande gevaren voor recidive, collusie en onttrekking, vermits de appelrechters helemaal geen zicht, laat staan controle, hebben op het verloop van die strafuitvoering; aldus steunen de appelrechters hun beoordeling op mogelijke toekomstige gebeurtenissen, voegen zij aan de wet een voorwaarde toe die hij niet bevat en meten zij zich een bevoegdheid aan die hen niet toekomt.
- De gevaren dat een inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, zoals bepaald in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zijn gevaren die zich op grond van de gegevens waarover het onderzoeksgerecht op het moment van zijn beslissing beschikt, kunnen voordoen tijdens de periode die volgt op de hypothetische invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde. Feitelijke omstandigheden die zich tijdens dezelfde periode kunnen voordoen en die een impact kunnen hebben op de effectieve realisatie van die gevaren, zoals de vrijlating van de inverdenkinggestelde in het kader van de strafuitvoering waarin hij zich op het moment van de beslissing van het onderzoeksgerecht bevindt, zijn geen hypothetische toekomstige gebeurtenissen, maar actuele omstandigheden die het onderzoeksgerecht in antwoord op het verweer van de inverdenkinggestelde kan betrekken bij het oordeel over het al dan niet handhaven van zijn voorlopige hechtenis. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div