← België

L. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 Rolnummer: P.22.1549.N Zaak: L. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-03-03 Raadplegingen: 1144 - laatst gezien 2026-06-18 12:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Overmacht veronderstelt een omstandigheid buiten de wil van de appellant, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet het grievenformulier tijdig in te dienen; indien overmacht de appellant heeft belet tijdig een grievenformulier in te dienen, kan de rechter de sanctie van het verval van het hoger beroep in beginsel niet toepassen

(1); indien overmacht de appellant evenwel slechts tijdelijk belet een grievenformulier in te dienen, vangt van zodra de overmachtssituatie is opgehouden een nieuwe termijn aan om alsnog aan de verplichting te voldoen een grievenformulier in te dienen
(2); het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of overmacht de appellant heeft belet tijdig een grievenformulier in te dienen en of na het ophouden van de overmachtssituatie de appellant alsnog een grievenformulier kon en diende in te dienen; het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1447.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10, AC 2022, nr. xxx; Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 12 januari 2021, AR P.20.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3, AC 2021, nr. 722; Cass. 25 november 2020, AR P.20.0760.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.4, AC 2020, nr. 17; Cass. 20 november 2019, AR P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8, AC 2019, nr. 612; Cass. 13 november 2019, AR P.19.0984.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5, AC 2019, nr. 593; Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr. 344, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.. Zie S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 85-88; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1420; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1728-1729.
(2)Cass. 20 november 2019, P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8, AC 2019, nr. 612; Cass. 13 november 2019, AR P.19.0984.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5, AC 2019, nr. 593; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 85-86. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Een arrest van het Hof dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vernietigt dat het hoger beroep vervallen verklaart omdat uit de redenen die de appelrechters aannemen niet blijkt dat vaststaat dat de eiser op het ogenblik dat hij hoger beroep aantekende tegen de raadkamerbeschikking waarbij zijn internering werd bevolen, nog de bijstand van een advocaat genoot en evenmin blijkt dat hij op de hoogte was van de verplichting om binnen de beroepstermijn een grievenformulier in te dienen, kan voor de appellant onmogelijk overmacht opleveren; dit betreft immers geen omstandigheid buiten zijn wil, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet het grievenformulier tijdig in te dienen; evenmin kan dan worden geoordeeld dat het vernietigingsarrest voor de appellant een nieuwe termijn heeft doen lopen ingaand op het ogenblik van de kennisname van dat arrest waarbinnen alsnog een grievenformulier diende te worden ingediend
(1).
(1)Het vorige arrest van de K.I. Gent in deze zaak werd vernietigd door Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194, T. Strafr. 2022,
  1. (BDS) Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 204 en 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1549.N M. M. L., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, tegen
  2. S. A., burgerlijke partij,
  3. POLITIEZONE MALDEGEM, met kantoor te 9990 Maldegem, Industrielaan 10, burgerlijke partij,
  4. S. I., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 november 2022 (hierna het bestreden arrest), gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 15 maart 2022 (hierna het vernietigingsarrest). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 435 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1321 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel van het arrest dat de eiser zich bevond in een toestand van overmacht, die zou zijn opgehouden uiterlijk op 16 mei 2022 en dat de eiser derhalve een grievenformulier had moeten indienen binnen de dertig dagen na 16 mei 2022, geeft het bestreden arrest een uitlegging van het vernietigingsarrest die niet te verenigen valt met de bewoordingen ervan; het Hof heeft met het vernietigingsarrest uitdrukkelijk beslist dat de vervallenverklaring van het hoger beroep niet kan worden uitgesproken wegens het niet-indienen van het grievenformulier; het arrest miskent dan ook dit vernietigingsarrest.
  6. Artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op straffe van verval van het hoger beroep de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier (hierna grievenformulier) nauwkeurig de grieven moet vermelden die tegen het vonnis worden ingebracht en dat hij dat grievenformulier moet indienen binnen de termijn voor het afleggen van de verklaring van hoger beroep.
  7. Overmacht veronderstelt een omstandigheid buiten de wil van de appellant, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet het grievenformulier tijdig in te dienen.
  8. Indien overmacht de appellant heeft belet tijdig een grievenformulier in te dienen, kan de rechter de sanctie van het verval van het hoger beroep in beginsel niet toepassen.
  9. Indien overmacht de appellant evenwel slechts tijdelijk belet een grievenformulier in te dienen, vangt van zodra de overmachtssituatie is opgehouden een nieuwe termijn aan om alsnog aan de verplichting te voldoen een grievenformulier in te dienen.
  10. Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of overmacht de appellant heeft belet tijdig een grievenformulier in te dienen en of na het ophouden van de overmachtssituatie de appellant alsnog een grievenformulier kon en diende in te dienen.
  11. Het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser op 19 augustus 2021 door een verklaring ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg persoonlijk hoger beroep heeft aangetekend tegen de raadkamerbeschikking van 20 juli 2021 waarbij zijn internering werd bevolen; - er geen verzoekschrift of grievenformulier zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering werd ingediend.
  13. Met het vernietigde arrest heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent gelet op het niet-indienen van een grievenformulier en bij afwezigheid van overmacht het hoger beroep van de eiser vervallen verklaard.
  14. Volgens het Hof bleek uit de redenen die de kamer van inbeschuldigingstelling met het vernietigde arrest had aangenomen niet dat vaststond dat de eiser op het ogenblik dat hij hoger beroep aantekende tegen de raadkamerbeschikking waarbij zijn internering werd bevolen, nog de bijstand van een advocaat genoot, alsook evenmin dat hij op de hoogte was van de verplichting om binnen de beroepstermijn een grievenformulier in te dienen. Volgens het Hof was de vervallenverklaring van eisers hoger beroep dan ook niet naar recht verantwoord en werd die beslissing vernietigd.
  15. Het thans bestreden arrest oordeelt als volgt: - de eiser kan zich op basis van het vernietigingsarrest op overmacht beroepen; - dit heeft evenwel niet tot gevolg dat de eiser, die minstens sedert de voor de kamer van inbeschuldigingstelling gevolgde procedure welke heeft geleid tot het vernietigde arrest, alsook tijdens de procedure voor het Hof van Cassatie werd bijgestaan door een advocaat en nog steeds wordt bijgestaan door een advocaat, wordt ontslagen van de verplichting om nauwkeurig de grieven aan te halen die het hof van beroep moet toelaten te weten welke beslissingen de eiser wenst hervormd te zien; - van zodra de overmachtstoestand is opgehouden, vangt een nieuwe termijn aan waarbinnen alsnog aan de verplichting moet worden voldaan een grievenformulier in te dienen; - sinds het vernietigingsarrest werd geen grievenformulier ingediend, terwijl blijkt dat de eiser en zijn advocaat uiterlijk op 16 mei 2022 op de hoogte waren van dit arrest; - bijgevolg moet het hoger beroep van de eiser bij gebrek aan de neerlegging van een grievenformulier vervallen worden verklaard.
  16. Een arrest van het Hof dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vernietigt dat het hoger beroep vervallen verklaart omdat uit de redenen die de appelrechters aannemen niet blijkt dat vaststaat dat de eiser op het ogenblik dat hij hoger beroep aantekende tegen de raadkamerbeschikking waarbij zijn internering werd bevolen, nog de bijstand van een advocaat genoot en evenmin blijkt dat hij op de hoogte was van de verplichting om binnen de beroepstermijn een grievenformulier in te dienen, kan voor de appellant onmogelijk overmacht opleveren. Dit betreft immers geen omstandigheid buiten zijn wil, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet het grievenformulier tijdig in te dienen. Evenmin kan dan worden geoordeeld dat het vernietigingsarrest voor de appellant een nieuwe termijn heeft doen lopen ingaand op het ogenblik van de kennisname van dat arrest waarbinnen alsnog een grievenformulier diende te worden ingediend. Het bestreden arrest dat anders oordeelt, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  17. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.