← België

S. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.6 Rolnummer: C.22.0326.N Zaak: S. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 587 - laatst gezien 2026-06-15 08:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Een persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheiding vindt haar grondslag in de hulp- en bijdrageplicht tussen echtgenoten op grond van de artikelen 213 en 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek en moet zodanig worden geraamd dat de financieel-economisch zwakkere echtgenoot in staat is de levensstandaard aan te houden die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest, zodat de familierechter die hierover uitspraak doet rekening dient te houden met de inkomsten en behoeften van de echtgenoten tijdens het huwelijk. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 213 en 221 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0326.N P. S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. V. P., verweerster. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 maart

  1. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel
  2. Een persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheiding vindt haar grondslag in de hulp- en bijdrageplicht tussen echtgenoten op grond van de artikelen 213 en 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek en moet zodanig worden geraamd dat de financieel-economisch zwakkere echtgenoot in staat is de levensstandaard aan te houden die hij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. De familierechter die in het raam van de artikelen 213 en 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek uitspraak doet, houdt rekening met de inkomsten en behoeften van de echtgenoten tijdens het huwelijk.
  3. De appelrechter stelt vast dat, mede wat betreft de relevante periode tijdens de echtscheiding, het verdienvermogen van beide partijen gelijkelijk kan worden geraamd op een maandelijks gemiddelde van 4.000 euro netto terwijl beide partijen een maandelijkse huurlast hebben van ongeveer 2.300 euro. De appelrechter die vervolgens oordeelt dat “gelet op de (…) verhouding tussen de wederzijdse inkomsten en mogelijkheden een maandelijks onderhoudsgeld van € 2.000 noodzakelijk maar voldoende [is] om [de verweerster] toe te laten, tijdens de echtscheidingsprocedure, de levensstijl aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest” en zodoende de eiser veroordeelt om aan de verweerster een persoonlijke onderhoudsuitkering te betalen vanaf 1 juli 2019 tot het definitief worden van de echtscheiding, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de gelding van het proces-verbaal van minnelijke schikking van 27 september 2018 na 1 oktober 2018 en over de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de verweerster tijdens de echtscheiding van de partijen en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.