← België

Z. contra Q.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.7 Rolnummer: C.22.0228.N Zaak: Z. contra Q. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-06-15 08:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De toekenning van een onderhoudsuitkering na echtscheiding aan de behoeftige ex-echtgenoot onderstelt een onevenwicht in de respectieve globale economische situatie van beide ex-echtgenoten en meer precies in het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de echtgenoten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 301, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot is behoeftig in de zin van artikel 301, § 2, eerste lid Oud Burgerlijk Wetboek en kan bijgevolg aanspraak maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding ten laste van meest begoede of economisch sterkste ex-echtgenoot onder de voorwaarden van artikel 301, § 3, Oud Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de echtgenoten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 301, § 2, eerste lid, en § 3 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0228.N A. Z., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B. Q., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 februari

  1. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 301, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechter op verzoek van een behoeftige ex-echtgenoot een onderhoudsuitkering na echtscheiding toekennen ten laste van de andere ex-echtgenoot. De toekenning van dergelijke alimentatie onderstelt een onevenwicht in de respectieve globale economische situatie van beide ex-echtgenoten en meer precies in het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten. De minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot is behoeftig in de zin van voormelde wetsbepaling en kan bijgevolg aanspraak maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding ten laste van meest begoede of economisch sterkste ex-echtgenoot onder de voorwaarden van artikel 301, § 3, Oud Burgerlijk Wetboek.
  3. De appelrechter stelt vast en oordeelt, wat betreft de globale economische situatie van de eiser, dat: - de eerste rechter in zijn vonnis van 9 maart 2020 het netto-verdienvermogen van de eiser terecht raamt op minstens 4.500 euro per maand; - de eiser, buiten hetgeen hij fiscaal aangeeft, over aanzienlijke middelen beschikt; - hij naast zijn pensioen als tandarts in bijberoep blijft werken, en dit zowel te … in zijn basistandartspraktijk als te … in een recent aangekocht appartement; - hij nalaat om recente inkomsten mee te delen, ook wat betreft zijn roerend vermogen, zijn levensverzekering dan wel pensioenspaarrekeningen en een erfenis van zijn ouders; - hij hoe dan ook in staat is een fiscaal aangegeven omzet van ongeveer 6.900 euro per maand te realiseren en tegelijk om eenzelfde bedrag aan onkosten in rekening te brengen; - hij bovendien in staat is meerdere onroerende goederen te verwerven, waaronder voormeld appartement te …; - hem ingevolge de verkoop van de gewezen gezinswoning 241.870,24 euro toekwam; - de eiser beweert dat hij, mede gelet op de coronapandemie, zijn tandartspraktijk volledig heeft stopgezet vanaf 1 september 2020; - de eiser zijn pensioen raamt op ongeveer 1.112 euro; - de verweerster daartegenover stelt dat de eiser, ondanks de door hem voorgelegde stukken aangaande de inschrijving in de KBO, het RIZIV-nummer, de vergunning voor een activiteit met ioniserende stralingen en de locatie te …, in realiteit nog steeds als tandarts fungeert; - hoewel de verweerster deze stelling niet bewijst, de eiser nalaat mee te delen of zijn tandartspraktijk werd overgenomen.
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt, wat betreft de globale economische situatie van de verweerster, dat: - de verweerster na een zestiental jaar huisvrouw/huismoeder te zijn geweest, tot 2016 werkzaam is geweest als verpleegster; - zij op 31 oktober 2016 is erkend als 66 pct. invalide; - zij vervolgens een invaliditeitsuitkering ontving van ongeveer 1.260 euro per maand en nadien een pensioen van ongeveer 1.110 euro per maand, benevens een pensioenspaarrekening; - haar ingevolge de verkoop van de gewezen gezinswoning 120.935,12 euro toekwam; - zij in afwachting van een nieuwe woonst verblijft in een woning van haar zus zonder woonkost; - zij in tegenstelling tot de eiser, die ook middelen uit een nalatenschap genereerde, middels een aantal stukken wel inzicht geeft in de nalatenschap van haar moeder.
  5. De appelrechter die in lijn met voormelde redenen verder oordeelt dat “gelet op het onevenwicht in de respectieve globale economische situaties van beide ex-echtgenoten, dit wil zeggen het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten, [de verweerster] als minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot behoeftig [is] in de zin van artikel 301, § 2, eerste lid [Oud] BW en dus in principe onderhoudsgerechtigd” terwijl “[de eiser] van zijn kant als meest begoede of economisch sterkste ex-echtgenoot in principe onderhoudsplichtig [is]”, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  6. Anders dan het onderdeel vooropstelt, beoordeelt de appelrechter het onevenwicht in de respectieve globale economische situatie van beide ex-echtgenoten en meer precies het geheel van hun inkomsten, hun mogelijkheden om inkomsten te verwerven en hun lasten. De appelrechter beperkt zich daarbij niet tot de pensioenuitkering van de eiser, zijn pensioensparen en wat hem ingevolge de verkoop van de gezinswoning toekwam. Evenmin negeert de appelrechter wat de verweerster genereerde uit de nalatenschap van haar moeder. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat niet blijkt welke inkomensgegevens van de partijen de appelrechter concreet in aanmerking neemt zodat het Hof niet in staat is zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter geen rekening houdt met wat de verweerster genereerde uit de nalatenschap van haar moeder, mist het eveneens feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel verder aanvoert dat de appelrechter, daar waar hij wel rekening houdt met wat de verweerster genereerde uit de nalatenschap van haar moeder, tegelijk aangeeft dat niet de verweerster maar de eiser de minst begoede of economisch zwakste ex-echtgenoot is in de zin van artikel 301, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  7. Voorts verwerpt en beantwoordt de appelrechter met de in ro 2 vermelde redenen de aanvoering van de eiser aangaande wat hem ingevolge de verkoop van de gewezen gezinswoning, na betaling van de leningen, toekwam. In zoverre het onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, mist het feitelijke grondslag.
  8. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 686,77 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.