← België

P. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3 Rolnummer: C.22.0272.N Zaak: P. contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 1179 - laatst gezien 2026-06-18 09:37 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Om uit te maken of het gezag van het rechtelijk gewijsde zich verzet tegen de beoordeling ten gronde van de nieuwe vordering of een onderdeel ervan, moet de rechter onderzoeken welke feiten in de voorgaande procedure werden voorgelegd

(1).
(1)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9, AC 2022, nr. 186 , met concl. van eerste advocaat-generaal Mortier. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 23 en 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Indien de feiten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure, onderscheiden zijn van de feiten die worden aangevoerd in de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde
(1).
(1)Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9, AC 2022, nr. 186 , met concl. van eerste advocaat-generaal Mortier. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 23 en 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Aan een veroordeling waaraan, ondanks de vordering daartoe van de schuldeiser, geen dwangsom werd gekoppeld, kan gelet op gewijzigde omstandigheden door de niet-nakoming van de veroordeling, op vordering van de schuldeiser, alsnog hetzij door de rechter die de veroordeling uitsprak hetzij door een andere rechter een dwangsom worden gekoppeld
(1).
(1)BENELUXHOF, 17 december 2009, AR A/2008/ en A/2008/3, www.courbeneluxhof.int. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, gedaan te 's Gravenhage op 26 november 1973 - 26-11-1973 - Art. 1, eerste en tweede lid - 32 Link Justel databank 19731126-32 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De rechter die na beoordeling van de gewijzigde omstandigheden, gelet op de onwillige houding van de schuldenaar, hem veroordeelt tot nakoming van de eerdere rechterlijke uitspraak onder verbeurte van een dwangsom, het gezag van het eerder rechterlijk gewijsde niet miskent. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 23, 25 en 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 15, p. 1284-
  1. - BAETENS-SPETSCHINSKY; Noot'De mogelijkheid van de latere koppeling van een dwangsom aan een hoofdveroordeling' Tekst van de beslissing Nr. C.22.0272.N J.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. J.P.,
  3. L.L., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 12 oktober 2021 en 19 april
  4. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 januari 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, strekt het gezag van gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij wordt vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
  6. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt.
  7. Om uit te maken of het gezag van het rechtelijk gewijsde zich verzet tegen de beoordeling ten gronde van de nieuwe vordering of een onderdeel ervan, moet de rechter onderzoeken welke feiten in de voorgaande procedure werden voorgelegd. Indien de feiten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure, onderscheiden zijn van de feiten die worden aangevoerd in de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde.
  8. Krachtens artikel 1385bis, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, leden 1 en 2, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter, op vordering van een partij, ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep, een tegenpartij veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan.
  9. Het Benelux Gerechtshof verklaart in zijn gelijke arresten in de zaken A/2008/2 en A/2008/3 van 17 december 2009 voor recht dat artikel 1, leden 1 en 2, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom aldus moet worden uitgelegd dat: - “de hoofdveroordeling en de veroordeling tot betaling van een dwangsom niet noodzakelijk in een en dezelfde uitspraak moeten worden vervat”; - “de dwangsom ook in een latere uitspraak [kan] worden opgelegd”; - “een latere uitspraak over de dwangsom niet noodzakelijk moet uitgaan van de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken”; - “ingeval de rechter die de hoofdveroordeling heeft uitgesproken, zonder voorbehoud en beredeneerd de oplegging van een dwangsom uitsluit, noch hij noch een andere rechter alsnog een dwangsom kunnen opleggen”, wat echter niet belet dat “wanneer krachtens het nationale recht de inhoud van de hoofdveroordeling ingevolge gewijzigde omstandigheden opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd, de rechter in dit verband alsnog een dwangsom of gewijzigde dwangsom kan opleggen”.
  10. Krachtens artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Krachtens artikel 1385quinquies, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, aan de rechter vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen wanneer de veroordeelde aanhoudend in gebreke blijft uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling.
  11. Uit het voorgaande volgt dat: - aan een veroordeling waaraan, ondanks de vordering daartoe van de schuldeiser, geen dwangsom werd gekoppeld, gelet op gewijzigde omstandigheden door de niet-nakoming van de veroordeling, op vordering van de schuldeiser, alsnog hetzij door de rechter die de veroordeling uitsprak hetzij door een andere rechter een dwangsom kan worden gekoppeld; - de rechter die na beoordeling van de gewijzigde omstandigheden, gelet op de onwillige houding van de schuldenaar, hem veroordeelt tot nakoming van de eerdere rechterlijke uitspraak onder verbeurte van een dwangsom, het gezag van het eerder rechterlijk gewijsde niet miskent; - de uiteindelijke dwangsomveroordeling tot nakoming van de eerdere veroordeling om iets te doen, iets niet te doen of iets te geven steunt op een nieuwe feitelijke grondslag en dus een andere oorzaak heeft; - het voorts enkel de dwangsomrechter toekomt, op vordering van hetzij de veroordeelde schuldenaar hetzij de schuldeiser, een eerder opgelegde dwangsom aan te passen.
  12. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 februari 2018 werd veroordeeld tot uitvoering van bepaalde werken; - de appelrechters daarbij oordeelden dat
(1)aan die veroordeling geen dwangsom moest worden gekoppeld omdat de schadeverwekkende handelingen het gevolg waren van fouten van de aannemer van de eiser,
(2)de eiser had geprobeerd om met medewerking van zijn aannemer tot schadeherstel van de verweerders te komen, zij het vergeefs en
(3)niet was aangetoond dat de eiser onwillig was om de schadeherstellende maatregelen uit te voeren, zodat het volstond hem tot uitvoering van de werken te veroordelen zonder daaraan een dwangsom te koppelen; - de feiten die thans voorliggen, geheel anders zijn; - de eerdere vaststelling dat de eiser in de periode tot het arrest van 28 februari 2018 niet onwillig was om tot een regeling met de verweerders te komen, losstaat van het gegeven dat de eiser inmiddels werd veroordeeld tot uitvoering van bepaalde werken en deze veroordeling niet nakomt; - de werken in uitvoering van het arrest van 28 februari 2018 uiterlijk einde mei 2018 klaar moesten zijn, terwijl nog steeds geen aanvang is genomen met de uitvoering; - de eiser niet beweert, laat staan bewijst dat het hem niet mogelijk zou zijn de bedoelde werken uit te voeren; - de bewering van de eiser dat de verweerders door hun onredelijke houding de uitvoering van het arrest van 28 februari 2018 dwarsbomen en geen redelijkheid en gematigdheid aan de dag leggen, niet klopt; - de eiser zelfs geen gevolg heeft gegeven aan het tussenarrest van 12 oktober 2021 waarbij de persoonlijke verschijning werd bevolen; - de eiser niet alleen niet bereid is tot nakoming van het arrest van 28 februari 2018, maar bovendien in zekere mate blijk geeft van onwil. 9. De appelrechter die op grond van voormelde redenen, gelet op de gewijzigde omstandigheden door de niet-nakoming van de veroordeling van de eiser in het arrest van 28 februari 2018, op vordering van de verweerders, alsnog aan de veroordeling een dwangsom koppelt, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 871,53 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.