id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.5 Rolnummer: S.20.0021.N Zaak: V. contra MY FAMILY vzw Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-05-25 Raadplegingen: 657 - laatst gezien 2026-06-15 08:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.5 Fiches 1 - 3 De “gezinsbijslagen” die beogen de gezinslasten te bestrijden hebben niet noodzakelijk allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, kenmerken of rechthebbenden, maar dat het aan de rechter is om, rekening houdend met de in de zaak “Wiering” door Hof van Justitie van de Europese Unie aangegeven criteria, te oordelen of de prestaties in rekening kunnen worden gebracht bij de toepassing van de samenloopregels, toepasselijk bij de cumulatie van rechten
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)HvJ 8 mei 2014, Caisse nationale des prestations familiales t. U. en M. Wiering, C-347/12. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Artt. 1, z), 10 en 68 Fiche 4 Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindt niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nationale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 19, eerste en derde lid,
- b)- 56 Link Justel databank 20071213-56 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de beslissing Nr. S.20.0021.N K.V., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen MY FAMILY vzw, met zetel te 2000 Antwerpen, Brouwersvliet 4, bus 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0683.590.375, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 december 2019. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel Tweede subonderdeel 1. Krachtens artikel 1, z), van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening (EG) nr. 883/04) worden onder “gezinsbijslagen” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen ter tegemoetkoming van de gezinslasten, met uitzondering van voorschotten op onderhoudsbijdragen, en de in bijlage I vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie. Artikel 10 Verordening (EG) nr. 883/04 bepaalt ter voorkoming van samenloop van prestaties dat, tenzij anders bepaald, krachtens deze verordening geen recht kan worden verkregen of behouden op verscheidene prestaties van dezelfde aard die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering. Artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/04 bepaalt inzake de prioriteitsregels bij samenloop bij gezinsuitkeringen dat: “1. indien gedurende hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden in uitkeringen is voorzien op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:
- a)indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit de volgende: eerst de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, vervolgens de rechten verkregen op grond van een pensioen, en ten slotte de rechten op grond van de woonplaats;
- b)indien door meer dan een lidstaat uitkeringen verschuldigd zijn op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van de volgende subsidiaire criteria:
- i)indien het gaat om rechten die verkregen zijn op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst: de woonplaats van de kinderen, mits er dergelijke werkzaamheden worden verricht, en subsidiair, in voorkomend geval, het hoogste bedrag aan uitkeringen waarin de betrokken wetgevingen voorzien. In dat laatste geval worden de kosten van de uitkeringen verdeeld volgens in de toepassingsverordening bepaalde criteria; 2. Bij samenloop van rechten worden de gezinsuitkeringen toegekend overeenkomstig de wetgeving die volgens lid 1 als prioritair is aangemerkt. De rechten op gezinsuitkeringen die verschuldigd zijn op grond van de andere betrokken wetgeving of wetgevingen, worden geschorst ter hoogte van het bedrag dat bij de wetgeving van de eerste lidstaat is vastgesteld en, zo nodig, wordt het deel dat dit bedrag overschrijdt uitbetaald in de vorm van een aanvullende toeslag. Als het recht op de uitkering in kwestie alleen gebaseerd is op de woonplaats, hoeft deze aanvullende toeslag echter niet te worden uitgekeerd voor kinderen die in een andere lidstaat wonen.” 2. Verordening (EG) nr. 883/04 vervangt met ingang van 1 mei 2010 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1606/98 van de Raad van 29 juni 1998 (hierna Verordening (EEG) nr. 1408/71). Anders dan Verordening (EG) nr. 883/04 maakt Verordening (EEG) nr. 1408/71 in artikel 1, sub
- u)een onderscheid tussen
- i)“gezinsbijslagen”, gedefinieerd als verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, letter h), bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie, en
- ii)“kinderbijslag”, gedefinieerd als de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend. Artikel 12, eerste lid, eerste zin, Verordening (EEG) nr. 1408/71 inzake de non-cumul van uitkeringen bepaalt, net als voormeld artikel 10 Verordening (EG) nr. 883/04, dat krachtens deze verordening geen recht kan worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak van verplichte verzekering. De samenloopregels bij cumulatie van rechten op gezins- of kinderbijslag zijn vastgelegd in artikel 76 Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71. 3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde in de zaak “Wiering” (HvJ 8 mei 2014, Caisse nationale des prestations familiales t. U. en M. Wiering, C-347/12) met betrekking tot de voormelde bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 dat: - er krachtens artikel 12 alleen sprake is van een niet-gerechtvaardigde cumulatie wanneer recht bestaat op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak; - hoewel de gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 1, sub u-i), Verordening (EEG) nr. 1408/71 beogen de gezinslasten te bestrijden, zij niet noodzakelijkerwijs allemaal hetzelfde specifieke voorwerp hebben, en evenmin dezelfde kenmerken of rechthebbenden; - er aldus bij de verschillende gezinsbijslagen die een migrerende werknemer kan ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van tewerkstelling en die welke hij of zijn gezinsleden ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van woonplaats, niet noodzakelijk sprake is van uitkeringen “van dezelfde aard” in de zin van artikel 12 Verordening (EEG) nr. 1408/71; - bijgevolg, met het oog op de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 10, lid 1, sub b-i, Verordening (EEG) nr. 574/72, in het kader van de berekening van de eventueel aan een migrerende werknemer in zijn lidstaat van tewerkstelling verschuldigde aanvulling, moet worden vastgesteld welke van de onderscheiden gezinsbijslagen waarop deze werknemer recht heeft op grond van de wetgeving van die staat, of die door die werknemer of zijn gezinsleden worden ontvangen uit hoofde van de wetgeving van de lidstaat van woonplaats, van “dezelfde aard zijn” in de zin van artikel 12 Verordening (EEG) nr. 1408/71, gelet op hun voorwerp, hun doelstellingen, hun berekeningsgrondslag en hun toekenningsvoorwaarden, alsook de rechthebbenden ervan. Uit deze rechtspraak volgt dat “gezinsbijslagen” die beogen de gezinslasten te bestrijden niet noodzakelijk allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, kenmerken of rechthebbenden hebben, maar dat het aan de rechter is om, rekening houdend met de aangegeven criteria, te oordelen of de prestaties in rekening kunnen worden gebracht bij de toepassing van de samenloopregels, toepasselijk bij de cumulatie van rechten. 4. Krachtens artikel 19, eerste lid, VEU verzekert het Hof van Justitie van de Europese Unie de eerbiediging van het recht bij de uitleg en toepassing van de Verdragen. Krachtens artikel 19, derde lid, b), VEU en artikel 267, eerste lid, VWEU is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
- a)over de uitleg van de Verdragen,
- b)over de geldigheid en de uitleg van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindt niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nationale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie. 5. Vastgesteld wordt dat de inhoud van artikel 10 Verordening (EG) nr. 883/04 volledig overeenstemt met artikel 12 Verordening (EEG) nr. 1408/71. Aldus blijven de criteria om te bepalen of er sprake is van een uitkering van “dezelfde aard”, zoals vastgelegd in het arrest “Wiering”, van toepassing bij het bepalen van de samenloop onder de nieuwe verordening. Het gegeven dat Verordening (EG) nr. 883/04, anders dan Verordening (EEG) nr. 1408/71, het begrip gezinsbijslag niet onderscheidt van het begrip kinderbijslag, doet niet anders besluiten. 6. De appelrechters oordelen dat: - nagegaan moet worden of de Nederlandse kinderopvangtoeslag (hierna KOT) een uitkering van dezelfde aard is voor eenzelfde tijdvak; - de conclusies van het arrest “Wiering” niet zonder meer kunnen worden toegepast, aangezien de Verordening (EG) nr. 883/04 geen onderscheid maakt tussen gezinsbijslag en kinderbijslag, maar enkel spreekt over gezinsbijslag; - de KOT onder het begrip gezinsbijslag valt en aldus een uitkering van dezelfde aard als de Belgische gezinsbijslag betreft; - de KOT ook dezelfde doelstelling heeft als de Belgische kinderbijslag, met name een uitkering of tegemoetkoming van de gezinslasten, wat het enige criterium is waarmee rekening mag worden gehouden, daar het gegeven dat de betalingen en de betalers verschillen geen onderscheiden criterium meer is. 7. Door aldus de artikelen 1, z), 10 en 68 Verordening (EG) nr. 883/04 in die zin uit te leggen dat voor wat betreft de aard van de gezinsbijslag enkel rekening gehouden moet worden met de definitie ervan, namelijk dat er sprake moet zijn van een vergoeding ter tegemoetkoming van de gezinslasten, zonder rekening te houden met het Wiering-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat vooropstelt dat voor de aard van de gezinsbijslagen gekeken moet worden naar hun voorwerp, hun doelstellingen, hun berekeningsgrondslag en hun toekenningsvoorwaarden, alsook de rechthebbenden ervan, schenden de appelrechters deze in het subonderdeel vermelde wettelijke bepalingen. Het subonderdeel is gegrond. Overige grieven 8. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie. Kosten 9. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Gerechtelijk Wetboek dient de verweerster te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerster tot de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 440,53 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div