← België

S. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.1 Rolnummer: P.22.1478.N Zaak: S. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 848 - laatst gezien 2026-06-18 21:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt; wanneer een beklaagde die hoger beroep instelt in zijn grievenformulier vermeldt dat hij de beslissing over de schuld betwist, geeft hij aan dat hij alle bestanddelen van de beslissing over de schuld aanvecht hetgeen inhoudt dat hij daarmee ook de bewijsgegevens die een schuldigverklaring kunnen ondersteunen en bijgevolg ook de wettigheid en regelmatigheid van de bewijsvoering bedoelt, zonder dat hij hierover een afzonderlijke procedurele of andere grief moet aanvoeren

(1).
(1)Cass. 7 december 2021, AR P.21.0740.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.5, AC 2021, nr
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1478.N R. L. K. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg, tegen L. D. B., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van een geschrift
  3. Het Hof slaat geen acht op het geschrift dat op de griffie is ontvangen op 9 februari 2023, dat is buiten de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Dit geschrift is niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de door de eiser ingediende procedurele beroepsgrief niet nauwkeurig is en dat zijn hoger beroep op dat punt is vervallen; door in het grievenformulier ook onder de rubriek “schuld” een grief te formuleren, gaf de eiser evenwel aan alle bestanddelen van de beslissing over de schuld te willen aanvechten, waaronder ook de wettigheid en regelmatigheid van de bewijsgegevens; de beslissing om het hoger beroep met betrekking tot de procedure vervallen te verklaren, is bijgevolg niet naar recht verantwoord.
  5. Volgens artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient de appellant op straffe van verval van het hoger beroep binnen de beroepstermijn ter griffie een verzoekschrift in te dienen dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. Krachtens artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, kan de rechter in hoger beroep, behoudens de in die bepaling vermelde grieven van openbare orde die hij ambtshalve dient op te werpen, slechts kennis nemen van de grieven die werden opgeworpen zoals bepaald in artikel 204 Wetboek van Strafvordering.
  6. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
  7. Wanneer een beklaagde die hoger beroep instelt in zijn grievenformulier vermeldt dat hij de beslissing over de schuld betwist, geeft hij aan dat hij alle bestanddelen van de beslissing over de schuld aanvecht. Dat houdt in dat hij daarmee ook de bewijsgegevens die een schuldigverklaring kunnen ondersteunen en bijgevolg ook de wettigheid en regelmatigheid van de bewijsvoering bedoelt, zonder dat hij hierover een afzonderlijke procedurele of andere grief moet aanvoeren.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn grievenschrift onder meer grieven heeft aangevoerd onder de rubrieken “procedure” en “schuld”, waarbij de grief onder de rubriek “schuld” verder verduidelijkte dat de eiser om de vrijspraak verzocht en ondergeschikt niet akkoord kon gaan met de aangenomen kwalificatie van het ten laste gelegde feit. Het arrest oordeelt dat de grief onder de rubriek “schuld” nauwkeurig is en dat het hoger beroep in zoverre ontvankelijk is. Daaruit volgt dat de wettigheid en de regelmatigheid van de bewijsvoering die de eiser aanvecht, tot de saisine van de appelrechters behoort.
  9. Het arrest (p. 6-7) oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook, zonder desbetreffend te worden betwist, dat de eiser in zijn appelconclusie geen enkel middel of argument heeft aangevoerd dat op de procedure betrekking zou kunnen hebben. Verder weerlegt het arrest (p. 8-11) met opgave van redenen het door de eiser ter rechtszitting aangevoerde verweer over de rechtsgeldigheid van de uitgevoerde huiszoeking. Bijgevolg doet het arrest uitspraak over alle door de eiser aangevochten aspecten van de wettigheid en de regelmatigheid van de bewijsgegevens. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de nauwkeurige grieven van de eiser betrekking hebben op onder meer de procedure, anderzijds oordeelt het dat het louter aanvinken van de rubriek “procedure” zonder enige verdere toelichting niet kan worden beschouwd als een nauwkeurige grievenbepaling; die redenen zijn tegenstrijdig.
  11. Gelet op het antwoord op het eerste middel, kan het middel dat uitgaat van het verval van eisers hoger beroep wegens onnauwkeurigheid van de grief onder de rubriek “procedure”, niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op eisers in appelconclusie aangevoerde verweer dat het strafdossier geen vaststellingen bevat van enige verwonding aan de handen of polsen van de verweerster nadat zij, volgens haar verklaring, ten val was gekomen met op de rug geboeide handen.
  13. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt.
  14. De eiser heeft voor de appelrechters in conclusie aangevoerd dat er tussen hem en de verweerster geen SM-vliegexperiment heeft plaatsgevonden.
  15. Het arrest (p. 12) oordeelt betreffende dit verweer: “[De eiser] heeft ten aanzien van [de verweerster] bedrieglijk voorgehouden dat hij een Bondage Dominantie en Sado-Masochisme-experiment met haar wou uitvoeren, waarbij hij [de verweerster] zou hebben willen doen zweven. Door [de verweerster] te overtuigen om hieraan mee te werken, kon [de eiser] haar blinddoeken, knevelen (door haar handen vast te maken in lederen polsriemen en op haar rug samen te binden met musketons, haar voeten vast te maken met lederen enkelriemen en een gagbal in haar mond vast te riemen) en een aan schroefringen bevestigde lus rond haar nek leggen. Het was de bedoeling van [de eiser] om enerzijds [de verweerster] vrijwillig in een verhangpositie te krijgen (…) waarin hij haar kon doden door wurging (…) zonder dat zij zich zou verzetten en anderzijds achteraf te kunnen voorhouden dat het een zelfdoding betrof.” Het arrest oordeelt verder dat het voormelde duidelijk blijkt uit onder meer de verklaringen van de verweerster die steun vinden in verschillende objectieve elementen van het strafdossier zoals de medische bevindingen en de vaststellingen tijdens de reconstructie, in het bijzonder dat haar val werd gebroken door de lus en dat zij op haar zitvlak op de grond was gevallen. Met die redenen beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die slechts tot staving van dat verweer werden aangevoerd, zonder een zelfstandig verweer te vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 7 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.