id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.13 Rolnummer: P.22.1738.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 856 - laatst gezien 2026-06-15 08:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Het door de artikelen 2, § 1, en 22, § 1, WAM bedoelde misdrijf van het als eigenaar toegelaten hebben dat een motorrijtuig in het verkeer werd gebracht op de openbare weg of op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen, die het recht hebben om er te komen, zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe dit motorvoertuig aanleiding kan geven, was gedekt door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet voldeed en waarvan de werking niet was geschorst, verdwijnt niet door het achteraf sluiten van een dergelijke verzekeringsovereenkomst of door het beëindigen van de schorsing
(1).
(1)Cass. 29 september 2020, AR P.20.0435.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.8, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Fiches 2 - 6 De bewijslast voor het gepleegd zijn van het misdrijf bedoeld in de artikelen 2, § 1, en 22, § 1 WAM ligt in het beginsel bij de vervolgende partij, maar de vervolgende partij kan niet tot het onmogelijke gehouden zijn en indien een beklaagde aanvoert dat er op het ogenblik van het in het verkeer brengen van het motorrijtuig wel degelijk een door de wet bedoelde en niet-geschorste WAM-verzekering was voor dat voertuig, moet hij die bewering aannemelijk maken en staat het aan de rechter te oordelen of de betrokkene slaagt in die aanvoeringsplicht en de bewijswaarde van de overgelegde stukken te beoordelen; het overleggen door een beklaagde, na de vaststelling dat een motorrijtuig zonder de vereiste WAM-verzekering in het verkeer werd gebracht, van een niet-gedateerd internationaal motorrijtuigverzekeringsbewijs met een geldigheidsduur die de datum van de vaststelling omvat, verplicht de rechter niet noodzakelijk aan te nemen dat het misdrijf van niet-verzekering niet is bewezen en de rechter kan, rekening houdend met de door de bestuurder en de eigenaar van het motorvoertuig ten tijde van het in het verkeer brengen van dit voertuig afgelegde verklaringen, oordelen dat er op het ogenblik van de vaststelling geen geldige verzekering was. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 2, § 1, en 22, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1738.N F. C. C. D. W., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Gaétan Vaerewyck, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 16 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel
- Het middel voert miskenning aan van de principes van de bewijslast, de motivering, de beoordeling van de bewijsstukken, de bewijswaarde en de bewijskracht: het bestreden vonnis kan niet oordelen dat de ten tijde van de feiten afgelegde verklaringen primeren op een schriftelijk bewijsstuk van een verzekeringsmaatschappij en de waarde van dit stuk miskennen; het is aan het openbaar ministerie te bewijzen dat de eiseres niet was verzekerd; de eiseres moet niet bewijzen dat zij wel verzekerd was, maar zij heeft niettemin naderhand het tegenbewijs geleverd; dit heeft niet tot gevolg dat dit stuk generlei waarde zou hebben; de appelrechters vertrekken vanuit de perceptie dat er geen verzekering was en veronderstellen geheel ten onrechte dat de premie na de feiten werd betaald; de veronderstelling is irrelevant; het verzekeringsbewijs toont aan dat er voor het voertuig dekking was op het ogenblik van de feiten.
- Het middel verduidelijkt niet van welk stuk en op welke wijze het bestreden vonnis de bewijskracht van akten heeft miskend. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Het door de artikelen 2, § 1, en 22, § 1, WAM bedoelde misdrijf van het als eigenaar toegelaten hebben dat een motorrijtuig in het verkeer werd gebracht op de openbare weg of op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen, die het recht hebben om er te komen, zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe dit motorvoertuig aanleiding kan geven, was gedekt door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet voldeed en waarvan de werking niet was geschorst, verdwijnt niet door het achteraf sluiten van een dergelijke verzekeringsovereenkomst of door het beëindigen van de schorsing.
- De bewijslast voor het gepleegd zijn van dit misdrijf ligt in het beginsel bij de vervolgende partij, maar de vervolgende partij kan niet tot het onmogelijke gehouden zijn. Indien een beklaagde aanvoert dat er op het ogenblik van het in het verkeer brengen van het motorrijtuig wel degelijk een door de wet bedoelde en niet-geschorste WAM-verzekering was voor dat voertuig, moet hij die bewering aannemelijk maken. Het staat dan aan de rechter te oordelen of de betrokkene slaagt in die aanvoeringsplicht en de bewijswaarde van de overgelegde stukken te beoordelen.
- Het overleggen door een beklaagde, na de vaststelling dat een motorrijtuig zonder de vereiste WAM-verzekering in het verkeer werd gebracht, van een niet-gedateerd internationaal motorrijtuigverzekeringsbewijs met een geldigheidsduur die de datum van de vaststelling omvat, verplicht de rechter niet noodzakelijk aan te nemen dat het misdrijf van niet-verzekering niet is bewezen. De rechter kan rekening houdend met de door de bestuurder en de eigenaar van het motorvoertuig ten tijde van het in het verkeer brengen van dit voertuig afgelegde verklaringen oordelen dat er op het ogenblik van de vaststelling geen geldige verzekering was.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het door de eiseres overgelegde stuk, met als opschrift “voorlopig verzekeringsbewijs” werd uitgereikt aan V., maar dit stuk vermeldt geen datum van uitreiking, zodat niet duidelijk is wanneer het werd opgemaakt; - V., de partner van de eiseres en bestuurder van het voertuig ten tijde van het ongeval op 22 augustus 2019, verklaarde in een telefonisch contact tegenover de verbalisanten dat de verzekering van het voertuig niet was betaald en hij om die reden geen geldig verzekeringsbewijs kon voorleggen; - de eiseres zelf verklaarde op 23 augustus 2019 dat zij vergeten was om de verzekering te betalen, zodat het voertuig op het ogenblik van het ongeval niet verzekerd was, waaraan zij toevoegde dat zij zich intussen in regel had gesteld. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het voertuig van de eiseres op 22 augustus 2019 niet geldig was verzekerd en dat het door de eiseres overgelegde stuk daar niets aan verandert, aangezien dit stuk ongetwijfeld werd opgemaakt nadat de eiseres de premie had voldaan en zij zich in regel had gesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ondanks het sluitend bewijs dat het voertuig was verzekerd op het ogenblik van de feiten dat er geen reden is om een ambtshalve grief op te werpen.
- Het middel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het derde middel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt dat er geen reden is om een ambtshalve grief op te werpen, zonder de partijen te verzoeken zich daarover uit te spreken.
- De appelrechters hebben op verzoek van de eiseres het debat heropend teneinde na te gaan of er reden was om ambtshalve een door artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering bedoelde grief aan te voeren. De eiseres was bijgevolg in de gelegenheid om daarover standpunt in nemen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 7 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div