id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16 Rolnummer: P.23.0287.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 843 - laatst gezien 2026-06-15 22:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Op grond van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 22 en 30, §§ 1 en 4, Voorlopige Hechteniswet stelt de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt over de handhaving van de voorlopige hechtenis onder meer de ernstige aanwijzingen van schuld vast voor het feit waarvoor het bevel tot aanhouding is verleend en vermeldt zij de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet; overeenkomstig die criteria moet de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid en moeten er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden en doet de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van haar uitspraak hetgeen niet betekent dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen rekening mag houden met vroegere feiten die zij nog steeds actueel acht. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 3 - 5 De kamer van inbeschuldigingstelling die bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden het verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden en moet evenmin antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken; in dezelfde zin moet de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden of de modaliteit die de inverdenkinggestelde voorstelt met het oog op zijn vrijlating uit de gevangenis niet telkens op een geïndividualiseerde wijze bespreken, ongeacht de beslissing daarover van de eerste rechter, maar wel moet de reden voor de afwijzing van die voorwaarden of die modaliteit, zoals eventueel toegelicht, blijken uit het geheel van de redenen van de beslissing. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, 22 en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, 22 en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, 22 en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0287.N P. V. H., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 februari 2023. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: de redenen die het arrest overneemt van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en die betrekking hebben op de ernstige aanwijzingen van schuld, de woonst van de eiseres in geval van haar invrijheidstelling, de impact van de detentie van de eiseres op haar kind en de teneur van het boek dat de eiseres zou hebben geschreven naar aanleiding van de geboorte van haar kind, kunnen niet wettig worden aanvaard als feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiseres, die haar voorlopige hechtenis wettigen gelet op de criteria vermeld in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet; die redenen staan immers los van enig gevaar op recidive, onttrekking of collusie bij de eiseres, waarover geen eigen onderzoek is gevoerd; het argument in verband met het vermelde geboorteboekje is niet meer actueel op het moment van de uitspraak; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat uit dit boekje geen gevaar voor de openbare veiligheid blijkt. 2. Op grond van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 22 en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet stelt de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt over de handhaving van de voorlopige hechtenis onder meer de ernstige aanwijzingen van schuld vast voor het feit waarvoor het bevel tot aanhouding is verleend en vermeldt het de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet. Overeenkomstig die criteria moet de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid en moeten er, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. 3. Overeenkomstig artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet doet de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Dit betekent niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen rekening mag houden met vroegere feiten die zij nog steeds actueel acht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie (p. 19 en 21-24) oordeelt het arrest niet enkel zoals het onderdeel vermeldt, maar onder meer ook dat: - er ernstige aanwijzingen zijn dat de eiseres niet enkel op de hoogte werd gehouden van de drugtransporten die door haar vriend B. werden uitgevoerd, maar zij bovendien ervoor zorgde dat de nodige communicatiemiddelen werden geleverd, zodat de leden van de criminele organisatie konden blijven communiceren met elkaar, of dat in geval van problemen met een PGP-toestel deze door haar werden geregeld; - de eiseres zich quasi steeds in het buitenland bevond in het gezelschap van B. en zijn kompanen, waarbij zij gebruik maakte van valse paspoorten; - er ernstige aanwijzingen zijn dat het schoonheidssalon van de eiseres een witwasmachine voor de criminele organisatie was en zijzelf rijkelijk leefde van druggelden van haar vriend B. 5. Op grond van die redenen, samen genomen met de in het onderdeel aangehaalde redenen waaruit een wankele woonsituatie en een gevaarlijke geestesgesteldheid van de eiseres blijkt, kan het arrest wettig oordelen dat de handhaving van haar voorlopige hechtenis nog steeds volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en dat er in geval van haar vrijlating ernstige redenen zijn om te vrezen voor recidive, onttrekking en collusie. 6. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest eveneens het verweer van de eiseres en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. 7. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest vermeldt niet waarom de voorwaarden opgelegd door de eerste rechter of elektronisch toezicht, zoals toegelicht in de appelconclusie van de eiseres, niet volstaan opdat haar invrijheidstelling de openbare veiligheid niet in het gedrang zou brengen of de risico’s op recidive, onttrekking of collusie niet zou neutraliseren. 9. De kamer van inbeschuldigingstelling die bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden het verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden. Die kamer moet evenmin antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. 10. In dezelfde zin moet de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden of de modaliteit die de inverdenkinggestelde voorstelt met het oog op zijn vrijlating uit de gevangenis niet telkens op een geïndividualiseerde wijze bespreken, ongeacht de beslissing daarover van de eerste rechter. Wel moet de reden voor de afwijzing van die voorwaarden of die modaliteit, zoals eventueel toegelicht, blijken uit het geheel van de redenen van de beslissing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Met de redenen aangeduid in het antwoord op het eerste onderdeel, in het bijzonder de wankele woontoestand van de eiseres in geval van haar invrijheidstelling, de nuance die moet worden aangebracht bij eiseres’ beweringen over de impact van haar detentie op de gezondheidstoestand van haar kind en haar gevaarlijke geestesgesteldheid zoals die blijkt uit het teruggevonden geboorteboekje, beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres over de door haar voorgestelde voorwaarden en de mogelijkheid van het toestaan van de modaliteit van het elektronisch toezicht, zonder dat het elk argument ter ondersteuning van dat verweer diende te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 7 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.