id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 6
.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.1551.N M. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen H. H., in eigen naam en namens de minderjarige kinderen Y. B., S. B. en S.-E. B., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie en het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster en zijn memorie per aangetekende brief heeft ter kennis gebracht van de verweerster, zoals nochtans vereist door de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser en in zoverre ook betrekking hebbend op deze beslissing, zijn het cassatieberoep en de memorie niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 31 Taalwet Gerechtszaken: hoewel de eiser door een deskundige werd onderzocht in het kader van de Interneringswet zonder bijstand van een tolk, weigert het arrest de nietigheid te bevelen van het psychologisch en psychiatrisch deskundigenonderzoek en een nieuw deskundigenonderzoek met bijstand van een tolk te bevelen; het onderzoek door de psycholoog gebeurde zonder bijstand van een tolk, terwijl dit onderzoek cruciaal is in het verdere psychiatrisch deskundigenonderzoek en de interneringsmaartregel erop is gesteund; een psychologisch onderzoek moet worden beschouwd als een ondervraging in de zin van artikel 31 Taalwet Gerechtszaken en op het verzoek van de eiser om bijstand van een tolk Arabisch, zoals dit werd geformuleerd bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter, had moeten worden ingegaan; het is niet omdat de betrokkene een aantal gewone woorden kan spreken of begrijpen in de taal van de rechtspleging, dat hij een verhoor waarbij het gebruik van bepaalde woorden of uitlatingen essentieel kan zijn, kan ondergaan met een volledig begrip van de gestelde vragen en de genoteerde antwoorden.
- Volgens artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, dekt elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak is gewezen, de nietigheid van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of arrest zijn voorafgegaan.
- De eiser heeft voor de raadkamer de door het onderdeel bedoelde schending van artikel 31 Taalwet Gerechtszaken niet opgeworpen. Derhalve is een eventuele uit de Taalwet voortvloeiende nietigheid gedekt door de beroepen raadkamerbeschikking. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.e EVRM: het arrest wijst eisers verzoek om een nieuw deskundigenonderzoek ditmaal met bijstand van een tolk af op de enkele grond dat de eiser een voldoende kennis heeft van het Nederlands als procestaal; de eiser heeft het recht om kosteloos te worden bijgestaan door een tolk indien hij ter rechtszitting de gebezigde taal niet verstaat of spreekt; dit artikel is ook van toepassing op deskundigenonderzoeken; de eiser heeft tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter een eerste maal de bijstand van een tolk Arabisch gevraagd en toen aangegeven dat hij vanaf dat ogenblik enkel nog gebruik wenste te maken van een tolk in die taal; het arrest wijst het verzoek om een nieuw deskundigenonderzoek af op grond van de vaststelling dat de eiser een voldoende kennis van het Nederlands heeft en het verwijst daarvoor naar de vaststellingen van de psycholoog, de door de eiser afgelegde verhoren voorafgaand aan het verhoor door de onderzoeksrechter en de ondervraging van de eiser door de kamer van inbeschuldigingstelling; het EHRM heeft reeds beslist dat het gegeven dat een beklaagde een basiskennis heeft van de procestaal niet belet dat hij een beroep moet kunnen doen op een tolk in een taal die hij voldoende begrijpt om zijn recht van verdediging te kunnen uitoefenen; het arrest houdt enkel rekening met de basiskennis die de eiser van het Nederlands heeft om zijn verzoek af te wijzen.
- Artikel 6.3.e EVRM bepaalt dat eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft zich kosteloos te laten bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter rechtszitting wordt gebruikt niet verstaat of niet spreekt.
- Dit recht geldt niet enkel bij de behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht, maar ook voor onderzoeksverrichtingen tijdens het vooronderzoek.
- De door deze verdragsbepaling gegarandeerde bijstand door een tolk moet niet noodzakelijk gebeuren in de moedertaal van de verdachte of de beklaagde of in een taal van zijn keuze. Wel is vereist dat de verdachte of de beklaagde de gebruikte taal voldoende begrijpt of spreekt om zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen.
- Het staat aan de rechter te oordelen of de verdachte of de beklaagde voldoende de taal van de rechtspleging begrijpt en spreekt zodat hij in staat is zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen, waarbij de rechter rekening kan houden met de aard en de complexiteit van de feiten.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde bij een bepaald verhoor door de politie of door de onderzoeksrechter of bij het onderzoek door de psychiater-deskundige werd bijgestaan door een tolk of heeft verklaard dat hij een andere taal kiest dan de taal van de procedure, volgt niet noodzakelijk dat de beklaagde de taal van de procedure niet of onvoldoende beheerst voor een effectieve uitoefening van het recht van verdediging.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9-10) oordeelt als volgt: - uit het deskundigenverslag van psycholoog N. blijkt dat aan de eiser de vraagstelling, het doel en de werkwijze van het onderzoek werden uitgelegd, dat de eiser aangaf dit “te snappen” en zijn medewerking heeft toegezegd en dat, omdat werd vastgesteld dat de eiser voldoende Nederlands beheerste, geen tolk werd ingeschakeld; - uit het deskundigenverslag (rubriek klinisch-psychologisch onderzoek van het functioneren) blijkt dat de eiser zich in goed verstaanbaar Nederlands kon uitdrukken, dat hij ook voldoende adequaat op de hem voorgelegde vragen antwoordde, dat hij voldoende taalbegrip liet zien en dat, omdat hij voldoende liet zien in staat te zijn tot een dialoog in het Nederlands, geen tolk werd ingeschakeld en dat het interview een normaal verloop kende; - er is geen enkele reden om te twijfelen aan de vaststellingen van psycholoog N.; - de omstandigheid dat de eiser bij het deskundigenonderzoek door de psychiater in de gevangenis wel werd gezien met bijstand van een tolk doet daaraan geen afbreuk; - de eiser werd overigens ook door de politiediensten op 14 juni 2022 in het Nederlands verhoord. De eiser verklaarde daarbij onder meer voorafgaandelijk dat hij zich wenste uit te drukken in het Nederlands en verklaarde daarbij uitdrukkelijk dat hij voldoende Nederlands sprak om een verklaring af te leggen; - ook naar aanleiding van een verhoor door de politie op 27 mei 2020 verklaarde de eiser dat hij zich wenste uit te drukken in de Nederlandse taal; - uit zijn verklaringen afgelegd aan de politiediensten blijkt overigens ook helemaal niet dat de eiser de Nederlandse taal niet of niet voldoende zou begrijpen of spreken; - ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling verklaarde de eiser dat hij een beetje Nederlands kende en konden de raadsheren in elk geval zelf vaststellen dat de eiser op het einde van de behandeling van de zaak onmiddellijk in behoorlijk Nederlands antwoordde op de door de voorzitter gestelde vragen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er geen reden is om het deskundigenonderzoek door psycholoog N. over te laten doen en ditmaal met bijstand van een tolk en om een nieuw psychiatrisch onderzoek te bevelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 7 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050323.22 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div