id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 442bis, eerste lid, en 442ter, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, beveelt het Hof van Cassatie, wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van een procedurefout of -tekortkoming die dermate ernstig is dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden hersteld. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HEROPENING VAN DE RECHTSPLEGING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 442q
uinquies, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde bekentenis van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en uitgelegd door het EHRM
(1)dat aan die verdachte, ook wanneer hij zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, voorafgaand aan zijn verhoor door de politie de bijstand van een raadsman wordt verleend; die vereiste, waaraan enkel afbreuk kan worden gedaan indien uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen worden aangetoond die een beperking daarvan kunnen rechtvaardigen, geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering
(2).
(1)EHRM 9 november 2018, Beuze t. België, nr. 71409/10; EHRM 28 april 2022,Wang t. Frankrijk, nr. 83700/17.
(2)Zie Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bekentenis Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1522.N F. G. V., verzoeker tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Laurent Mortelmans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 21 november 2022, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 20 oktober 2015 in de zaak P.15.0706.N. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Bij arrest van 16 april 2015 veroordeelde het hof van beroep te Gent de verzoeker op strafgebied tot een gevangenisstraf van drie maanden met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar en een geldboete van 100,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 550,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van twintig dagen, alsook tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, de vergoeding en de kosten wegens het als openbaar officier of ambtenaar bij het opmaken van akten van zijn ambt het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst met gebruik van die stukken en valsheid in geschriften te hebben gepleegd in authentieke en openbare geschriften met tevens gebruik van die stukken.
- De verzoeker stelde tegen dit arrest cassatieberoep in en voerde daarbij in een enig middel schending aan van onder meer artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, omdat de appelrechters zich voor hun beslissing over de schuldvraag uitdrukkelijk hadden gesteund op bekentenissen die de verzoeker tegenover de politie had afgelegd zonder de bijstand van een raadsman en zonder dat hij werd gewezen op zijn zwijgrecht, zijn recht om zichzelf niet te incrimineren en zijn recht van komen en gaan, terwijl hij op voorhand evenmin schriftelijk was uitgenodigd.
- Bij arrest P.15.0706.N van 20 oktober 2015 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoeker. In zoverre ontvankelijk oordeelde het Hof over het voormelde middel dat aan een verdachte slechts de bijstand van een advocaat moet worden verleend indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, dat de appelrechters dit met betrekking tot de verhoren van de verzoeker door de politie op concrete wijze hebben onderzocht en dat zij konden oordelen dat dit niet het geval was.
- Op 13 april 2016 legde de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 21402/16) neer waarin om dezelfde redenen opnieuw schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd.
- Bij arrest van 7 juni 2022 oordeelde het EHRM, derde afdeling, eenparig als volgt over dat verzoekschrift: - de verzoeker, een politieambtenaar, werd op 13 oktober 2009, dit is tijdens het vooronderzoek, uitgenodigd om zich te begeven naar het commissariaat waar drie opeenvolgende verhoren werden gehouden; hij legde daarbij bekentenissen af; bij aanvang van ieder verhoor lichtten de ondervragers van het Comité P hem in dat hij het recht had om niet op de vragen te antwoorden; de verzoeker werd tijdens de verhoren niet bijgestaan door een raadsman, maar op twee ogenblikken werden de verhoren onderbroken om hem toe te laten telefonisch zijn raadsman te raadplegen; - op 29 juni 2011 werd de verzoeker, die inmiddels zijn raadsman had geraadpleegd ter voorbereiding van zijn verdediging, opnieuw politioneel verhoord; daarbij legde hij verklaringen af die tegenstrijdig waren aan wat hij op 13 oktober 2009 had verklaard; - de verzoeker voerde daarover aan dat hij met miskenning van zijn recht op een eerlijk proces werd veroordeeld op basis van bekentenissen gedaan zonder de fysieke aanwezigheid van een raadsman en zonder voorafgaandelijk te zijn ingelicht van zijn zwijgrecht; - in deze zaak vonden de betwiste verhoren plaats voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding op 1 januari 2012 van de zogenaamde Salduz-wet van 13 augustus 2011; de fase voor het vonnisgerecht verliep na die datum; bijgevolg gold dezelfde wetgeving als deze in de zaak Beuze (Grote Kamer, arrest nr. 71409/10 van 9 november 2018); die uitspraak bevat een samenvatting van de evolutie van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot het recht op bijstand van een raadsman in de fase voorafgaandelijk aan het strafrechtelijk proces en van de desbetreffende algemene principes; - uit die rechtspraak en principes volgt niet enkel dat de verdachte zijn raadsman in een vertrouwelijk overleg moet kunnen raadplegen vanaf het ogenblik van zijn vrijheidsberoving en voorafgaandelijk aan de ondervraging, maar ook dat hij moet kunnen genieten van diens fysieke aanwezigheid tijdens de eerste verhoren bij de politie, alsook bij latere verhoren die plaatsvinden tijdens de onderzoeksfase; - bijgevolg kan de rechtspraak van het EHRM die in België gold tijdens de vonnisfase in deze zaak en die erop neerkwam dat het recht op de bijstand van een raadsman bij verhoren en ondervragingen beperkt blijft tot het geval waarin de verdachte van zijn vrijheid is beroofd, niet worden behouden; - op het ogenblik van de feiten in deze zaak hadden de op dat ogenblik bestaande beperkingen van het recht van toegang tot een raadsman in België een algemene en dwingende draagwijdte; het feit dat de verzoeker door zijn korpsoverste zonder verdere informatie was opgeroepen om zich op het commissariaat aan te bieden, is fundamenteel niet te onderscheiden van de situatie waarbij personen door de politie worden geïnterpelleerd; de verzoeker werd immers evenmin in de gelegenheid gesteld om een raadsman te raadplegen of om voorafgaand aan zijn verhoor op een adequate wijze zijn verdediging voor te bereiden; - net zo min als in de zaak Beuze zijn er in deze zaak geen uitzonderlijke omstandigheden bewezen die de betwiste beperkingen zouden kunnen rechtvaardigen; bij afwezigheid van een dwingende reden moet derhalve erg strikt worden gecontroleerd of de rechtspleging eerlijk is verlopen; het staat aan de Belgische Regering om op een overtuigende wijze aan te tonen dat de verzoeker hoe dan ook heeft kunnen genieten van een eerlijk proces in zijn geheel; - in deze zaak was de verzoeker bij de betwiste verhoren niet van zijn vrijheid beroofd en werd er evenmin ongeoorloofde druk op hem uitgeoefend door de ondervragers; gezien zijn functie kon hij ook niet onwetend zijn dat zijn verklaringen in rechte zouden kunnen worden gebruikt; hij bevond zich aldus niet in een bijzonder kwetsbare positie; - nochtans heeft de verzoeker bij zijn verhoren op 13 oktober 2009 bekentenissen afgelegd die door het hof van beroep te Gent niet werden geweerd; die bekentenissen hebben dat gerecht evenwel toegelaten om het moreel bestanddeel vast te stellen waarop de schuldigverklaring van de verzoeker mee is gestoeld; het blijkt niet dat andere feitelijke elementen zoals de uitgevoerde huiszoeking eveneens van aard waren om dat strafbaar opzet bij de verzoeker vast te stellen; de betwiste verklaringen waren bijgevolg doorslaggevend voor zijn veroordeling; - die elementen volstaan om te besluiten dat de strafprocedure tegen de verzoeker in zijn geheel beschouwd niet eerlijk is verlopen; er is sprake van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM. III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging
- Artikel 442bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer bij een definitief arrest van het EHRM is vastgesteld dat het EVRM of de aanvullende protocollen zijn geschonden, de heropening kan worden gevraagd, enkel wat de strafvordering betreft, van de rechtspleging die heeft geleid tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het EHRM.
- Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
- Het verzoekschrift dat getekend is door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
- Uit het aangehaalde arrest van het EHRM van 7 juni 2022 volgt dat het Hof van Cassatie door te oordelen dat aan een verdachte slechts de bijstand van een raadsman moet worden verleend indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt en door de redenen van de appelrechters aan te nemen dat dit bij de verhoren van de verzoeker op 13 oktober 2009 niet het geval was, het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen tot aan het strafproces heeft miskend. De bedoelde verklaringen werden afgelegd zonder dat de verzoeker op enig ogenblik van zijn vrijheid was beroofd of zich om andere redenen in een bijzonder kwetsbare positie bevond. De appelrechters hebben zich voor hun beslissing over de schuldvraag bovendien ook op de bekentenissen van de verzoeker gesteund en evenmin is uit te sluiten dat deze hebben gediend om de overtuiging van de appelrechters die verkregen werd op grond van andere bewijselementen, te bevestigen.
- De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 20 oktober 2015 heeft gedaan.
- Met staving door meerdere stukken verwijst de verzoeker naar het weddeverlies dat hij in deze zaak heeft geleden als gevolg van zijn tuchtrechtelijke schorsing met gedeeltelijke inhouding van zijn wedde en zijn ambtshalve ontslag per 12 februari
- Daarenboven heeft zijn veroordeling geleid tot het verlies van een blanco strafregister, wat hem heeft verhinderd om ondanks zijn ervaring en professionele vaardigheden een gelijkwaardig ambt of een functie binnen een vergelijkbare sector op te nemen. Bijgevolg blijft de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
- De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging en intrekking van het arrest P.15.0706.N van 20 oktober
- Het Hof gaat bijgevolg over tot een herbeoordeling van eisers cassatieberoep zoals hierna bepaald. B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 april 2015 Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 8 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en artikel III.II.4 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest dat de schuldigverklaring van de eiser uitdrukkelijk steunt op de bekentenis die hij zonder bijstand van een advocaat tegenover de politie heeft afgelegd, gaat niet werkelijk na of die bekentenis niet tot stand kwam met miskenning van eisers recht op toegang tot een advocaat; dat recht moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens concreet en effectief aanwezig zijn en mag niet louter theoretisch en illusoir zijn, ongeacht of de verdachte zich in een kwetsbare positie bevindt; dit geldt des te meer nu de eiser had aangevoerd dat hij van zijn overste het bevel had gekregen zich onmiddellijk op het hoofdbureau aan te bieden zonder dat hem werd meegedeeld waarover het ging; de appelrechters gaan eraan voorbij dat de eiser als politieagent dit bevel correct en tijdig diende uit te voeren onder dreiging van een zware tuchtstraf; uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de eiser niet werd gewezen op zijn zwijgrecht, zijn recht zichzelf niet te incrimineren en zijn recht van komen en gaan, terwijl hij evenmin voorafgaand schriftelijk werd uitgenodigd; ook als politieman was het voor de eiser niet evident dat hij het recht had niet te antwoorden op de gestelde vragen en zichzelf niet te incrimineren tegenover zijn hiërarchische meerderen die het verhoor afnamen; minstens schenden de appelrechters de in het middel vermelde bepalingen door, zonder rekening te houden met eisers plicht bevelen op te volgen en zonder de concrete omstandigheden na te gaan, niet of niet met pertinente overwegingen te antwoorden op eisers verweer dat hij bij het afleggen van zijn zelf-incriminerende verklaringen geen werkelijke en effectieve toegang tot of bijstand van een advocaat had.
- Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde bekentenis van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en onder meer uitgelegd door het EHRM in de arresten van 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) en 28 april 2022 (Wang t/ Frankrijk, nr. 83700/17), dat aan die verdachte, ook wanneer hij zich niet in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, voorafgaand aan zijn verhoor door de politie de bijstand van een raadsman wordt verleend. Die vereiste, waaraan enkel afbreuk kan worden gedaan indien uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen worden aangetoond die een beperking daarvan kunnen rechtvaardigen, geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.
- Het arrest dat anders oordeelt (p. 14-16) en dat de schuldigverklaring van de eiser verder ook steunt op de verklaringen die hij heeft afgelegd zonder de bijstand van een raadsman, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging. Trekt het arrest in dat het Hof op 20 oktober 2015 met nummer P.15.0706.N heeft gewezen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ingetrokken arrest. Vernietigt het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 april 2015 in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eiser ingestelde strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Antoine Lievens, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Ignacio de la Serna, en op de openbare rechtszitting van 7 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Antoine Lievens, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div