id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 Rolnummer: C.22.0362.N Zaak: CLONEN, vereffenaar EUR ADVICE BV contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-03-28 Raadplegingen: 1038 - laatst gezien 2026-06-15 04:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 Fiches 1 - 4 Gezien de vraag rijst of de wetgever op een grondwettelijk toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, en anderzijds artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de loop van de verjaring van de vordering kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 5 - 6 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen; of de rechter dit kan, hangt af van de leemte zelf; indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen; indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 8 De leemte inzake het vertrekpunt van de verjaring in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meer vennoten is niet van die aard dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Aan de ongrondwettigheid kan zonder meer een einde worden gesteld door artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen aan te vullen in die zin dat, zoals het geval in het vierde streepje van deze bepaling, de termijn van vijf jaar in dat geval begint te lopen te rekenen van de ontdekking van de verborgen gehouden verrichtingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0362.N Koen CLONEN, advocaat, met kantoor te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 14, in zijn hoedanigheid van verffenaar van Eur Advice bv, met zetel te 2920 Kalmthout, Standaertlei 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0860.161.158, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- R. H.,
- M. V. Z., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 mei
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerders voeren een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: de eiser heeft voor de appelrechters niet aangevoerd dat artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; het onderdeel is bijgevolg nieuw.
- Het onderdeel voert aan dat voormeld artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, schendt.
- De als geschonden aangevoerde bepalingen raken de openbare orde en vergen geen vaststelling of onderzoek van feiten. Het onderdeel is niet nieuw.
- De verweerders voeren een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: zelfs indien de vordering van de eiser niet verjaard is op grond van artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, diende de rechter de vordering verjaard te verklaren op grond van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek omdat de eiser reeds vanaf maart 2014 kennis had van de feitelijke gegevens die noodzakelijk zijn om de vordering in te stellen.
- De grond van niet-ontvankelijkheid vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. De gronden van niet-ontvankelijkheid moeten worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, verjaren door verloop van vijf jaren, alle rechtsvorderingen tegen vennoten, te rekenen van de bekendmaking hetzij van hun uittreding hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur.
- De eiser voert aan dat voormeld artikel 198, § 1, eerste streepje, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter zoals vervat in artikel 6.1 EVRM, schendt doordat zij het vertrekpunt van de verjaring bepaalt op een tijdstip dat geen rekening houdt met het moment waarop de eiser kennis neemt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering tegen de vennoten.
- Het Hof dient de in het dictum van het arrest geformuleerde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: “Schendt artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, terwijl de loop van de verjaring van de vordering op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019 en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div