id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 26
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 28
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 2 Uit de handhaving door het Grondwettelijk Hof van de gevolgen van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek, zolang de wetgever de door dit artikel vastgestelde Grondwetschending niet verhelpt en uiterlijk tot 31 augustus 2019, volgt dat de rechter deze bepaling kan toepassen voor zover hij de exceptie beoordeelt vóór 31 augustus 2019, ongeacht het tijdstip waarop de exceptie is opgeworpen, maar hij, bij gebrek aan wetgevende tussenkomst, na 31 augustus 2019 gehouden is tot een grondwetsconforme toepassing van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek die inhoudt dat de exceptie van de cautio iudicatum solvi kan worden opgeworpen tegen elke eiser, ongeacht zijn nationaliteit, die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om in te staan voor de financiële gevolgen van een eventuele veroordeling, tenzij een internationale overeenkomst tot vrijstelling van borg geldt
(1).
(1)Zie de andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: CAUTIO JUDICATUM SOLVI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 851 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 852 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 28
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2023, nr. 468, p. 9. - VERHOEVEN, Marek; Noot'Cassatie interpreteert borgstelling eisende vreemdeling grondwetsconform' TBP-Tijdschrift voor bestuurswetenschappen en publiekrecht - 2024, n° 1, p. 29-38. - BOMBAY, Anne; Noot'(Invullen van) een wetgevende lacune of niet? That's the cautio(
- us)question' Tekst van de beslissing Nr. C.22.0126.N PROXIMUS nv, met zetel te 1030 Brussel (Schaarbeek), Koning Albert II laan 27, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0202.239.951, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen TWO-WAY MEDIA Ltd, vennootschap naar het recht van de Staat Colorado, met zetel te Colorado (Verenigde Staten van Amerika), 1821 Redwood Avenue, Boulder, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2021. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 20 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Onder de hoofding “exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling” bepaalt artikel 851 Gerechtelijk Wetboek dat “behalve wanneer Staten bij verdrag hebben bedongen dat hun onderdanen ontslagen zijn van borgstelling ter voldoening aan het vonnis, alle vreemdelingen als hoofdeiser of tussenkomende partij [zijn] gehouden, indien de Belgische verweerder het vóór enige exceptie vordert, borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij kunnen worden verwezen” en “de verweerder borgstelling [kan] vorderen, zelfs voor het eerst in hoger beroep, indien hij aldaar gedaagd wordt”. Vervolgens bepaalt artikel 852 Gerechtelijk Wetboek dat “het vonnis waarbij borgstelling wordt bevolen, bepaalt tot welk beloop dit zal geschieden”, “[dit vonnis] de borg ook door enige andere zekerheid [kan] vervangen”, “de eiser wordt ontslagen van het stellen van de gevorderde zekerheid, indien hij de bepaalde som in consignatie geeft, indien hij aantoont dat zijn onroerende goederen in België voldoende zijn om die som daaraan te verhalen of indien hij een pand geeft overeenkomstig artikel 2041 [Oud] Burgerlijk Wetboek” en “in de loop van het geding de rechtbank, op verzoek van een partij, het bedrag van de som of de aard van de verstrekte zekerheid [kan] wijzigen”. 2. Voormelde bepalingen voorzien in een opschortende exceptie tot bescherming van een Belgische rechtzoekende tegen de geldelijke verliezen ingevolge een falende procesvoering door een vreemdeling die in België geen voldoende waarborg biedt tot betaling van de kosten en schadevergoeding waartoe hij zou kunnen worden veroordeeld. 3. Bij arrest nr. 135/2018 van 11 oktober 2018 beantwoordde het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag of “artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie [schendt] in zoverre het tot gevolg heeft dat het een Belgische verweerder die tegenover een buitenlandse eiser staat en een Belgische verweerder die tegenover een in het buitenland gevestigde Belgische eiser staat die in België niet over enig goed noch vermogen beschikt, zodat de Belgische verweerder geen enkele waarborg heeft dat die eiser het hoofd zal kunnen bieden aan een tegen hem uitgesproken veroordeling, verschillend behandelt”, bevestigend en besliste zodoende dat artikel 851 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in de ro B.9 tot en met B.11 als volgt: - “Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de nationaliteit van de eiser. Een dergelijk criterium is objectief. Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of dat verschil in behandeling gebaseerd is op een relevant criterium en of het geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt.”; - “In dat verband dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met het recht op toegang tot de rechter dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd en dat met name in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is neergelegd.” - “Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht op een rechterlijke instantie, gewaarborgd, waarvan het recht op toegang, namelijk het recht om een zaak aanhangig te maken bij een rechterlijke instantie in burgerlijke zaken, een aspect vormt. Dat recht is niet absoluut; het leent zich tot impliciet aangenomen beperkingen aangezien het, door de aard zelf ervan, een regeling door de Staat vereist. Terwijl de Verdragsluitende Staten ter zake een zekere beoordelingsmarge genieten, staat het nochtans aan het Hof om in laatste aanleg uitspraak te doen over de inachtneming van de vereisten van het Verdrag (Kreuz t. Polen, 19 juni 2001, § 53, en V.M. t. Bulgarije, 45723/99, § 41, 8 juni 2006) (EHRM, 15 september 2015, Mogielnicki t. Polen, § 47).”; - “Dat recht kan het voorwerp uitmaken van beperkingen, ook van financiële aard, voor zover die beperkingen geen afbreuk doen aan de essentie zelf ervan. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat aldus na of de toegepaste beperkingen de toegang die voor de rechtzoekende openstaat, niet op een zodanige wijze of dermate hebben beperkt dat de kern zelf van het recht erdoor wordt aangetast (EHRM, 15 september 2015, Mogielnicki t. Polen, § 49).” - “Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft aanvaard dat met een cautio iudicatum solvi een legitiem doel wordt nagestreefd dat verband houdt met een goede rechtsbedeling. Het heeft aldus geoordeeld dat de beschikking waarbij de storting van een cautio iudicatum solvi wordt voorgeschreven, duidelijk een legitiem doel nastreefde: vermijden dat [de verweerder] werd geconfronteerd met de onmogelijkheid om zijn gerechtskosten terug te vorderen indien de verzoeker in hoger beroep in het ongelijk zou worden gesteld. Dat punt is niet omstreden. Daarenboven, aangezien het hof van beroep eveneens rekening heeft gehouden met de ontstentenis van slaagkansen van het hoger beroep van de verzoeker, kan de maatregel eveneens (…) worden geacht te zijn opgelegd in het belang van een goede rechtsbedeling (EHRM, 13 juli 1995, Tolstoy Miloslavsky t. Verenigd Koninkrijk, § 61). Het Europees Hof kan dus niet de mening van de verzoeker delen volgens welke de cautio iudicatum solvi de kern zelf van zijn recht op toegang tot een rechterlijke instantie aantastte en onevenredig was met de doeleinden van artikel 6 (ibid., § 62).” - “Het criterium van de nationaliteit, waarop het bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde verschil in behandeling berust, is evenwel niet relevant ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de betaling van de gerechtskosten en van de schadevergoeding waartoe de eiser zou kunnen worden veroordeeld, waarborgen aan de verweerder. Niets maakt het mogelijk te verantwoorden dat dat doel van bescherming van de verweerder die wordt geconfronteerd met de geldelijke verliezen die een eiser die in België geen waarborgen biedt voor de betaling van de kosten en de schadevergoeding waartoe hij zou worden veroordeeld, hem door een ongegrond proces kan doen lijden, enkel wordt nagestreefd wanneer de eiser een vreemdeling is. Het is immers niet de nationaliteit van de eiser maar wel de omstandigheid dat hij in het buitenland verblijft en in België geen goed bezit dat als waarborg kan dienen, die de verweerder kan doen vrezen dat hij wordt geconfronteerd met de onmogelijkheid in de praktijk om de uitgegeven bedragen terug te vorderen. In zoverre het enkel de buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen ertoe verplicht een cautio iudicatum solvi te verlenen, indien de Belgische verweerder zulks vóór enige exceptie vordert, is artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.” Het Grondwettelijk Hof besloot in ro B.13 dat “rekening houdend met de noodzaak om de juridische moeilijkheden ingevolge die vaststelling van ongrondwettigheid voor de lopende gerechtelijke procedures te voorkomen, dienen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling definitief te worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 augustus 2019”. 4. In voormeld arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof derhalve dat een cautio iudicatum solvi verenigbaar is met het in artikel 6 EVRM bedoelde recht op toegang tot de rechter. Het Grondwettelijk Hof oordeelde evenwel dat het in artikel 851 Gerechtelijk Wetboek opgenomen nationaliteitscriterium de toets aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet doorstaat in die zin dat de bedoelde exceptie niet kan worden opgeworpen tegen elke eiser, ongeacht zijn nationaliteit, die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om in te staan voor de financiële gevolgen van een eventuele veroordeling, tenzij een internationale overeenkomst tot vrijstelling van borgstelling geldt. 5. Zolang de wetgever de vastgestelde Grondwetsschending niet verhelpt en uiterlijk tot 31 augustus 2019, handhaaft het Grondwettelijk Hof de gevolgen van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg kan een rechter deze bepaling toepassen voor zover hij de exceptie beoordeelt vóór 31 augustus 2019, ongeacht het tijdstip waarop de exceptie is opgeworpen. Voormelde handhavingstermijn in de zin van artikel 28, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof neemt niet weg dat de rechter, bij gebrek aan wetgevende tussenkomst, na 31 augustus 2019 is gehouden tot een grondwetsconforme toepassing van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek. 6. Uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals geregeld door de artikelen 26 en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, volgt dat de rechter die wordt geconfronteerd met een wettelijke bepaling, die het Grondwettelijk Hof in een prejudicieel arrest gewezen in een andere zaak ongrondwettig heeft verklaard, hetzij zich moet voegen naar dat arrest, hetzij een nieuwe prejudiciële vraag moet stellen. Zo staat het aan de rechter elke leemte in een wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid in voldoende precieze bewoordingen heeft vastgesteld, in te vullen, evenals elke leemte die hieruit voortvloeit dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het raam van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen teneinde de wet in overeenstemming te brengen met de Grondwet. 7. Een grondwetsconforme interpretatie van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek, overeenkomstig voormeld arrest van 11 oktober 2018, houdt in dat de bedoelde exceptie kan worden opgeworpen tegen elke eiser, ongeacht zijn nationaliteit, die in het buitenland woont of verblijft en in België over onvoldoende vermogen beschikt om in te staan voor de financiële gevolgen van een eventuele veroordeling, tenzij een internationale overeenkomst tot vrijstelling van borgstelling geldt. 8. De appelrechters die vaststellen dat in voorliggend geval geen verdragsrechtelijke vrijstelling van borgstelling geldt en voorts voormelde grondwetsconforme interpretatie van artikel 851 Gerechtelijk Wetboek afwijzen omdat het “enkel de wetgever [toekomt] om een einde te maken aan de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek” en “bij afwezigheid van een dergelijke oplossing door de wetgever, geen borgstelling meer [kan] worden opgelegd aan [de verweerster] bij toepassing van artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek”, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260219.1N.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.1 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div