← België

GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT c. FACEBOOK IRELAND LIMI

Obsah (8)Art. 3Art. 55Art. 56Art. 58Art. 60Art. 61Art. 64Art. 66

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023

Art. 3

, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 55

, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 56

, eerste en tweede lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 58

, vijfde lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 60

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 61

, tweede en achtste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 64

, tweede lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... -

Art. 66

Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 6 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 4 - 5 Een vordering die de eiseres heeft ingesteld krachtens artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, dat artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG omzet in het Belgisch recht, wegens vermeende inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van de AVG op 25 mei 2018, kan na de inwerkingtreding van Verordening AVG worden voortgezet op grond van de bepalingen van de richtlijn en de ter uitvoering ervan vastgestelde nationale bepalingen, die van toepassing blijven op deze inbreuken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 31, § 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - GEVOLGEN VAN INTERNATIONALE NORMEN Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 31, § 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0271.N GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, met zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0694.679.950, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. META PLATFORMS IRELAND Ltd, vennootschap naar Iers recht, met zetel te 216410 Dublin 2 (Ierland), 4 Grand Square, Grand Canal Harbour,
  2. META PLATFORMS Inc, vennootschap naar het recht van de Staat Delaware, met zetel te CA 94025 Menlo Park (Verenigde Staten van Amerika), 1601 Willow Road,
  3. FACEBOOK BELGIUM bv, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0836.948.464, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 8 mei
  4. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 21 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Krachtens artikel 28, lid 1, van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, zoals van toepassing (hierna Richtlijn 95/46/EG), bepaalt elke lidstaat dat een of meer autoriteiten worden belast met het toezicht op de toepassing op zijn grondgebied van de ter uitvoering van deze richtlijn door de lidstaten vastgestelde bepalingen. Krachtens artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG, zoals van toepassing, beschikt elke toezichthoudende autoriteit met name over de bevoegdheid om in rechte op te treden in geval van inbreuken op ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen of om die inbreuken onder de aandacht van het gerecht te brengen. Artikel 4, lid 1, a), Richtlijn 95/46/EG bepaalt dat elke lidstaat zijn nationale, ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen toepast op de verwerking van persoonsgegevens indien die wordt verricht in het kader van de activiteiten van een vestiging op het grondgebied van de lidstaat van de voor de verwerking verantwoordelijke. Artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing, dat artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG omzet in het Belgisch recht, bepaalt dat de voorzitter van de Commissie ieder geschil aangaande de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen aan de rechtbank van eerste aanleg kan voorleggen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken met het oog op de toepassing van de algemene beginselen inzake bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  6. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 juni 2018, C-210/16, Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein geoordeeld dat: - uit een gecombineerde lezing van de artikelen 4, lid 1, a), en 28, leden 1 en 3, Richtlijn 95/46/EG volgt dat, wanneer het nationale recht van de lidstaat waaronder de toezichthoudende autoriteit ressorteert van toepassing is op grond van artikel 4, lid 1, a), van de richtlijn, omdat de betrokken verwerking wordt verricht in het kader van de activiteiten van een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van die lidstaat, deze toezichthoudende autoriteit alle bevoegdheden die haar krachtens dit recht worden verleend kan uitoefenen jegens die vestiging, los van de vraag of de voor de verwerking verantwoordelijke ook vestigingen in andere lidstaten bezit (r.o. 52); - om vast te stellen of een toezichthoudende autoriteit ten aanzien van een op het grondgebied van de lidstaat waaronder zij ressorteert gelegen vestiging bevoegd is tot uitoefening van de bevoegdheden die haar krachtens het nationale recht zijn toegekend, moet worden nagegaan of de voorwaarden van artikel 4, lid 1, a), Richtlijn 95/46/EG zijn vervuld, namelijk, ten eerste, of de voor de verwerking verantwoordelijke beschikt over een vestiging op het grondgebied van de lidstaat waaronder de toezichthoudende autoriteit ressorteert en, ten tweede, of de verwerking wordt verricht in het kader van de activiteiten van die vestiging (r.o. 53); - de toezichthoudende autoriteit van een lidstaat bevoegd is tot uitoefening van haar bevoegdheden krachtens artikel 28, lid 3, van de richtlijn ten aanzien van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke die is gelegen op het grondgebied van die lidstaat, ook al is deze vestiging, ingevolge de taakverdeling binnen de groep, uitsluitend belast met de verkoop van advertentieruimte en andere marketingactiviteiten op het grondgebied van die lidstaat, en berust de exclusieve verantwoordelijkheid voor de verkrijging en de verwerking van persoonsgegevens, voor het gehele grondgebied van de Unie, bij een vestiging die is gelegen in een andere lidstaat (r.o. 64).
  7. Uit dit arrest volgt kennelijk dat een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat slechts bevoegd is om krachtens artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG voor een rechterlijke instantie van die lidstaat op te treden wegens een inbreuk op ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, jegens een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke die is gelegen op het grondgebied van die lidstaat, wanneer de verwerking plaatsvindt in het kader van de activiteiten van die vestiging en het nationale recht van die lidstaat hierop dus van toepassing is, overeenkomstig artikel 4, lid 1, a), van de richtlijn.
  8. Het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat inzake feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding van de AVG op 25 mei 2018, krachtens artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG, voor een rechterlijke instantie van die lidstaat kan optreden jegens een verwerkingsverantwoordelijke wegens een inbreuk op ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, ook al heeft zij geen hoofdvestiging of een andere vestiging op het grondgebied van die lidstaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel (…) Gegrondheid
  9. Artikel 55, lid 1, AVG bepaalt dat elke toezichthoudende autoriteit de competentie heeft op het grondgebied van haar lidstaat de taken uit te voeren die haar overeenkomstig deze verordening zijn opgedragen en de bevoegdheden uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend. Krachtens artikel 56, lid 1, AVG is, onverminderd artikel 55, de toezichthoudende autoriteit van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker competent op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit voor de grensoverschrijdende verwerking door die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker overeenkomstig de procedure van artikel
  10. Krachtens artikel 58, lid 5, AVG bepaalt elke lidstaat bij wet dat zijn toezichthoudende autoriteit bevoegd is inbreuken op deze verordening ter kennis te brengen van de gerechtelijke autoriteiten en, waar passend, daartegen een rechtsvordering in te stellen of anderszins in rechte op te treden, teneinde de bepalingen van deze verordening te doen naleven. Artikel 6 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna Wet van 3 december 2017) bepaalt, ter uitvoering van voormeld artikel 58, lid 5, AVG, dat de Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd is inbreuken op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens, ter kennis te brengen van de gerechtelijke autoriteiten en, waar passend, een rechtsvordering in te stellen teneinde deze grondbeginselen te doen naleven.
  11. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 15 juni 2021, C-645/19, Facebook Ireland e.a. geoordeeld dat: - artikel 56, lid 1, AVG voor grensoverschrijdende verwerkingen in het “één-loketmechanisme” voorziet, dat is gebaseerd op een competentieverdeling tussen een “leidende toezichthoudende autoriteit” en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Op grond van dit mechanisme is de toezichthoudende autoriteit van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker competent op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit voor de grensoverschrijdende verwerking overeenkomstig de procedure van artikel 60 (r.o. 50); - de verordening evenwel in uitzonderingen voorziet op het beginsel van de beslissingscompetentie van de leidende toezichthoudende autoriteit in het kader van het “één-loketmechanisme” van artikel 56, lid 1 (r.o. 57); - tot die uitzonderingen in de eerste plaats artikel 56, lid 2, van de verordening behoort, dat bepaalt dat een toezichthoudende autoriteit die niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, competent is om een bij haar ingediende klacht die betrekking heeft op een grensoverschrijdende verwerking van persoonsgegevens of een eventuele inbreuk op die verordening te behandelen, indien het onderwerp van die zaak alleen verband houdt met een vestiging in haar lidstaat of alleen voor betrokkenen in haar lidstaat wezenlijke gevolgen heeft (r.o. 58); - in de tweede plaats artikel 66 van de verordening in een spoedprocedure voorziet die het in buitengewone omstandigheden mogelijk maakt om, wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteit van mening is dat er dringend moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen, onverwijld voorlopige maatregelen te nemen met een bepaalde gel-digheidsduur van ten hoogste drie maanden die beogen rechtsgevolgen in het leven te roepen op het eigen grondgebied, waarbij artikel 66, lid 2, bepaalt dat wanneer een toezichthoudende autoriteit overeenkomstig lid 1 een maatregel heeft genomen en van mening is dat er dringend definitieve maatregelen moeten worden genomen, zij het Europees Comité voor gegevensbescherming met opgave van redenen om een dringend advies of een dringend bindend besluit kan verzoeken (r.o. 59); - deze competentie van de toezichthoudende autoriteiten moet worden uitgeoefend met inachtneming van een loyale en doeltreffende samenwerking met de leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig de procedure van artikel 56, leden 3 tot en met 5 (r.o. 60-62); - de uitoefening van de bevoegdheid van een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat om zich tot de rechterlijke instanties van haar lidstaat te wenden, evenmin kan worden uitgesloten wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit, na krachtens artikel 61 van de verordening om wederzijdse bijstand te zijn verzocht, haar niet de gevraagde informatie verstrekt. In dat geval kan die autoriteit krachtens artikel 61, lid 8, voorlopige maatregelen nemen op het grondgebied van haar lidstaat en, krachtens artikel 66, lid 2, het Europees Comité voor gegevensbescherming om een dringend advies of bindend besluit verzoeken indien zij meent dat dringende definitieve maatregelen moeten worden genomen. Bovendien kan zij, na advies van voormeld comité, verkregen krachtens artikel 64, lid 2, de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de naleving van de regels van de verordening te verzekeren en uit dien hoofde de haar bij artikel 58, lid 5, verleende bevoegdheid uitoefenen (r.o. 71); - het aan de verwijzende rechter staat om te bepalen of de in de verordening neergelegde regels inzake de verdeling van de competenties en de relevante procedures en mechanismen in het kader van het hoofdgeding correct zijn toegepast en hij in het bijzonder moet nagaan of, hoewel de eiseres in die zaak niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, de betrokken verwerking, voor zover deze betrekking heeft op gedragingen van het online sociale netwerk Facebook na 25 mei 2018, met name onder de in punt 71 van het arrest bedoelde situatie valt (r.o. 73); - een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die krachtens een nationale wettelijke regeling ter uitvoering van artikel 58, lid 5, AVG bevoegd is om elke vermeende inbreuk op die verordening ter kennis te brengen van een rechterlijke instantie van die lidstaat en, waar passend, in rechte op te treden, die bevoegdheid aldus kan uitoefenen inzake een grensoverschrijdende gegevensverwerking, ook al is zij ten aanzien van die gegevensverwerking niet de “leidende toezichthoudende autoriteit” in de zin van artikel 56, lid 1, van de verordening, voor zover er sprake is van een van de situaties waarin de verordening aan die toezichthoudende autoriteit de competentie toekent om een besluit te nemen waarbij wordt vastgesteld dat de betreffende verwerking inbreuk maakt op de verordening, en de hierin vastgelegde samenwerkingsprocedure en het coherentiemechanisme in acht worden genomen (r.o. 75); - de uitoefening van de bevoegdheid van een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die niet de leidende toezichthoudende autoriteit is om een rechtsvordering in de zin van artikel 58, lid 5, in te stellen, niet vereist dat de in rechte gedaagde verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker die de grens-overschrijdende verwerking van persoonsgegevens verricht, over een hoofdvestiging of een andere vestiging op het grondgebied van die lidstaat beschikt (r.o. 84); - voormelde bepaling immers in algemene bewoordingen is geformuleerd en de Uniewetgever de uitoefening van deze bevoegdheid door een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat niet afhankelijk heeft gesteld van de voorwaarde dat de vordering van deze autoriteit wordt ingesteld tegen een verwerkingsverantwoordelijke met een hoofdvestiging of een andere vestiging op het grondgebied van die lidstaat (r.o. 79); - een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat de haar bij artikel 58, lid 5, van de verordening verleende bevoegdheid echter slechts kan uitoefenen indien vaststaat dat die bevoegdheid binnen het territoriale toepassingsgebied van de verordening valt (r.o. 80); - artikel 3, lid 1, AVG, dat het territoriale toepassingsgebied regelt, bepaalt dat de verordening van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie plaatsvindt (r.o. 81); - overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de verordening, het territoriale toepas-singsgebied van deze verordening, onder voorbehoud van de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen, dus wordt bepaald aan de hand van de voorwaarde dat de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker die de grensoverschrijdende verwerking verricht, over een vestiging op het grondgebied van de Unie be-schikt (r.o. 83).
  12. Uit dit arrest volgt kennelijk dat wanneer een van de uitzonderingssituaties op het “één-loketmechanisme” voorhanden is, op grond waarvan een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, bevoegd is om krachtens artikel 58, lid 5, AVG voor een rechterlijke instantie van die lidstaat op te treden wegens een inbreuk op de verordening, deze autoriteit die bevoegdheid op gelijke wijze kan uitoefenen jegens een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van die lidstaat en jegens de hoofdvestiging van die verwerkingsverantwoordelijke in een andere lidstaat, wanneer de verwerking plaatsvindt in het kader van de activiteiten van die vestiging en de verordening hierop dus van toepassing is, overeenkomstig artikel 3, lid 1, AVG.
  13. De appelrechters oordelen dat: - geen enkele bepaling in de AVG de Belgische hoven en rechtbanken rechtsmacht toekent ten aanzien van de eerste verweerster; - aangezien enkel de toezichthoudende autoriteit van de hoofdvestiging of de enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker competent is om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit voor de grens-overschrijdende verwerking door die verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, de eiseres sedert het in werking treden van de AVG, betreffende feiten die zich voordoen na 25 mei 2018, geen bevoegdheid heeft om een rechtsvordering in te stellen of verder te zetten jegens de eerste verweerster.
  14. Zij oordelen aldus dat een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, inzake feiten die dateren van na de inwerkingtreding van de AVG op 25 mei 2018, krachtens artikel 58, lid 5, AVG, in geen geval voor een rechterlijke instantie van die lidstaat kan optreden jegens de hoofdvestiging van de verwerkingsverantwoordelijke in een andere lidstaat. Door op die grond te oordelen dat zij geen rechtsmacht hebben om de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster te beoordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. In zoverre is het onderdeel gegrond.
  15. Artikel 3, lid 1, AVG bepaalt dat deze verordening van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie al dan niet plaatsvindt. Lid 2 bepaalt dat deze verordening van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, wanneer de verwerking verband houdt met: a) het aanbieden van goederen of diensten aan deze betrokkenen in de Unie, ongeacht of een betaling door de betrokkenen is vereist; of b) het monitoren van hun gedrag, voor zover dit gedrag in de Unie plaatsvindt.
  16. De appelrechters stellen vast dat de tweede verweerster een Amerikaanse vennootschap betreft die de Facebook-dienst aanbiedt aan internetgebruikers in de Verenigde Staten en Canada.
  17. De appelrechters die voorts oordelen dat de eiseres, krachtens artikel 58, lid 5, AVG, niet bevoegd is om in rechte op te treden jegens de tweede verweerster wegens een inbreuk op de verordening, en zij aldus geen rechtsmacht hebben om de vordering van de eiseres tegen de tweede verweerster te beoordelen, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel (…) Gegrondheid
  18. Krachtens artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG beschikt elke toezichthoudende autoriteit over de bevoegdheid om in rechte op te treden in geval van inbreuken op ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen of om die inbreuken onder de aandacht van het gerecht te brengen. Krachtens artikel 94, lid 1, AVG wordt deze bepaling met ingang van 25 mei 2018 ingetrokken. Artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing, dat artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG omzet in het Belgisch recht, bepaalt dat de voorzitter van de Commissie ieder geschil aangaande de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen aan de rechtbank van eerste aanleg kan voorleggen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken met het oog op de toepassing van de algemene beginselen inzake bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Krachtens de artikelen 109 en 110 van de wet van 3 december 2017 wordt voormelde bepaling met ingang van 25 mei 2018 opgeheven. Krachtens artikel 58, lid 5, AVG bepaalt elke lidstaat bij wet dat zijn toezichthoudende autoriteit bevoegd is inbreuken op deze verordening ter kennis te brengen van de gerechtelijke autoriteiten en, waar passend, daartegen een rechtsvordering in te stellen of anderszins in rechte op te treden, teneinde de bepalingen van deze verordening te doen naleven.
  19. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 15 juni 2021, C-645/19, Facebook Ireland e.a. geoordeeld dat: de AVG geen enkele overgangsbepaling noch enige andere regel bevat met betrekking tot de status van gerechtelijke procedures die zijn ingeleid voordat zij van toepassing was en die nog aanhangig waren op de datum waarop zij van toepassing is geworden. In het bijzonder bevat deze verordening geen enkele bepaling op grond waarvan deze tot gevolg heeft dat alle op 25 mei 2018 aanhangige gerechtelijke procedures betreffende vermeende inbreuken op de in Richtlijn 95/46/EG neergelegde regels voor de verwerking van persoonsgegevens worden beëindigd, ook al blijven de gedragingen die dergelijke vermeende inbreuken opleveren na die datum voortduren (r.o. 101); - een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vorderingen van een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die zijn ingesteld wegens inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens die door verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers zijn gepleegd vóór de datum waarop de verordening van toepassing is geworden, namelijk op 25 mei 2018, en vorderingen die zijn ingesteld wegens na die datum begane inbreuken (r.o. 103); - in het eerste geval een vordering vanuit het oogpunt van het Unierecht kan worden voortgezet op grond van het bepaalde in Richtlijn 95/46/EG, die van toepassing blijft op inbreuken die zijn begaan tot de datum van intrekking ervan, te weten 25 mei 2018 (r.o. 104 en 105); - in het tweede geval een dergelijke vordering krachtens artikel 58, lid 5, AVG uitsluitend kan worden ingesteld op voorwaarde dat zij een situatie betreft waarin deze verordening, bij wijze van uitzondering, een toezichthoudende autoriteit van een lidstaat die niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, de competentie verleent om een besluit te nemen waarbij wordt vastgesteld dat de betrokken verwerking inbreuk maakt op de verordening, en de in die verorde-ning neergelegde procedures worden gevolgd (r.o. 104 en 105). -
  20. Uit dit arrest volgt kennelijk dat een vordering die de eiseres heeft ingesteld krachtens artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, dat artikel 28, lid 3, Richtlijn 95/46/EG omzet in het Belgisch recht, wegens vermeende inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van de AVG op 25 mei 2018, na de inwerkingtreding van deze verordening kan worden voortgezet op grond van de bepalingen van de richtlijn en de ter uitvoering ervan vastgestelde nationale bepalingen, die van toepassing blijven op deze inbreuken.
  21. De appelrechters oordelen dat: artikel 109 van de wet van 3 december 2017 artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 heeft opgeheven; - krachtens artikel 110 van deze wet, zij in werking treedt op 25 mei 2018; - vanaf de datum van in werking treden van de nieuwe wet, het vorderingsrecht dat bepaald was in artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 uitgedoofd is, met als gevolg dat noch de Privacy Commissie, vertegenwoordigd door haar voorzitter, noch de eiseres als rechtsopvolgster ervan, nog het vereiste belang bezit om de vordering tegen de derde verweerster, ingesteld op grond van artikel 32, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, voort te zetten; - voor de feiten van vóór 25 mei 2018 de vordering zonder voorwerp is bij gebrek aan het vereiste belang in hoofde van de eiseres. - Door de vordering van de eiseres tegen de derde verweerster inzake de vermeende inbreuken gepleegd vóór 25 mei 2018 op die grond niet ontvankelijk te verklaren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het hof van beroep, inzake de feiten gepleegd na 25 mei 2018, zijn rechtsmacht afwijst om te oordelen over de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster en het de eiseres veroordeelt tot de kosten aan de zijde van de eerste verweerster en, inzake de feiten gepleegd vóór 25 mei 2018, de vordering van de eiseres tegen de derde verweerster niet ontvankelijk verklaart wegens een gebrek aan belang. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.