← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.25 Rolnummer: P.23.0349.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-16 Raadplegingen: 711 - laatst gezien 2026-06-18 05:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat het onderzoeksgerecht op grond van dezelfde feitelijke gegevens oordeelt dat zowel een invrijheidstelling onder voorwaarden als een handhaving van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht onvoldoende garanties bieden op het vlak van de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Tekst van de beslissing Nr. P.23.0349.N L. V. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 16, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest motiveert niet waarom het de raadkamerbeschikking wijzigt; de appelrechters verwijzen enkel naar de vordering van het openbaar ministerie om op grond daarvan te oordelen dat de modaliteit van het elektronisch toezicht onvoldoende garanties biedt op het vlak van openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking; in de vordering wordt enkel melding gemaakt van de risico’s die een invrijheidstelling meebrengt; de appelrechters konden op grond van die redenen niet oordelen dat de voorlopige hechtenis niet onder de modaliteit van het elektronisch toezicht kon worden verdergezet.
  3. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis.
  5. De kamer van inbeschuldigingstelling dient de eigen beslissingen regelmatig met redenen te omkleden, maar moet bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet motiveren waarom zij anders beslist dan de raadkamer.
  6. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat het onderzoeksgerecht op grond van dezelfde feitelijke gegevens oordeelt dat zowel een invrijheidstelling onder voorwaarden als een handhaving van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht onvoldoende garanties bieden op het vlak van de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. De procureur-generaal verwijst voor het oordeel dat er onvoldoende garanties zijn op het vlak van de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking in zijn vordering (p. 15, eerste alinea) naar de redenen die daarvoor werden opgegeven en die ook betrekking hebben op een invrijheidstelling onder voorwaarden. Het neemt aldus aan dat diezelfde redenen de beslissing verantwoorden tot handhaving van de voorlopige hechtenis uit te voeren in de gevangenis en dus niet onder het elektronisch toezicht. Aldus is die beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 14 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.