← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.8 Rolnummer: P.23.0265.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-16 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-18 18:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Artikel 31, § 1, en § 3, Wet Strafuitvoering, dat overeenkomstig artikel 49, § 3, Wet Strafuitvoering van toepassing is op de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht, schrijft voor op welke wijze het dossier op grond waarvan de directeur zijn advies verleent, moet zijn samengesteld en bepaalt het voorwerp van dit advies, maar uit die bepalingen kan niet worden afgeleid dat de adviserende directeur het nodige moet doen om een lopend psychosociaal onderzoek tijdig te finaliseren. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 31 en 49 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 Bij de beoordeling of er tegenaanwijzingen zijn als bedoeld in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering die de toekenning beletten van de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht die de veroordeelde heeft gevraagd, zoals onder meer het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, kan de strafuitvoeringsrechtbank in aanmerking nemen dat de veroordeelde psychosociaal wordt onderzocht met het oog op de inschatting van de persoonlijkheid, een criminogenese en een risico-analyse en dat dit onderzoek nog niet is afgerond; uit dit enkele feit kan niet worden afgeleid dat de veroordeelde geen daadwerkelijke toegang krijgt tot de strafuitvoeringsrechtbank vermits de veroordeelde voor de strafuitvoeringsrechtbank elk verweer kan voeren betreffende de afwezigheid van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 3 De strafuitvoeringsrechtbank kan een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht niet afwijzen louter op grond van de vaststelling dat de veroordeelde niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk; de strafuitvoeringsrechtbank mag bij de beoordeling van het voorhanden zijn van door artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen en het onderzoek naar een haalbare reclassering als grondslag voor het vermijden van recidivegevaar wel degelijk de onzekerheid betreffende de verblijfsstatus van de veroordeelde betrekken. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0265.N I en II R. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Seno Devriendt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 februari 2023 (nr. 268/23). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 februari 2023 (nr. 269/23). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, de artikelen 13 en 149 Grondwet en artikel 31, § 1, Wet Strafuitvoering: met het oordeel dat het psychosociaal onderzoek nog lopende is, verhinderen de vonnissen het recht van de eiseres op een eerlijk proces en haar recht van toegang tot de rechter; het staat bovendien aan de gevangenisdirecteur het nodige te doen voor het tijdig finaliseren van het psychosociaal onderzoek; de vonnissen zijn nagenoeg op identieke wijze gemotiveerd als een eerdere beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank; de vonnissen motiveren dan ook niet rekening houdend met het geactualiseerde reclasseringsplan, met de bijkomend ingediende stukken en met de verweermiddelen van de eiseres. 2. Artikel 31, § 1, en § 3, Wet Strafuitvoering, dat overeenkomstig artikel 49, § 3, Wet Strafuitvoering van toepassing is op de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht, schrijft voor op welke wijze het dossier op grond waarvan de directeur zijn advies verleent, moet zijn samengesteld en bepaalt het voorwerp van dit advies. Uit die bepalingen kan evenwel niet worden afgeleid dat de adviserende directeur het nodige moet doen om een lopend psychosociaal onderzoek tijdig te finaliseren. 3. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank te onderzoeken of er tegenaanwijzingen zijn als bedoeld in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering die de toekenning beletten van de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht die de veroordeelde heeft gevraagd, zoals onder meer het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. 4. Bij die beoordeling kan de strafuitvoeringsrechtbank in aanmerking nemen dat de veroordeelde psychosociaal wordt onderzocht met het oog op de inschatting van de persoonlijkheid, een criminogenese en een risico-analyse en dat dit onderzoek nog niet is afgerond. 5. Uit dit enkele feit kan niet worden afgeleid dat de veroordeelde geen daadwerkelijke toegang krijgt tot de strafuitvoeringsrechtbank. De veroordeelde kan immers voor de strafuitvoeringsrechtbank elk verweer voeren betreffende de afwezigheid van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen. 6. Uit het enkele feit dat een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank tot afwijzing van een strafuitvoeringsmodaliteit op analoge wijze is gemotiveerd als een eerder afwijzend vonnis, volgt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank geen rekening heeft gehouden met de geactualiseerde gegevens betreffende de veroordeelde en met de door de veroordeelde ingediende stukken. 7. De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op door een veroordeelde ingediende stukken, maar enkel op een regelmatig voor de rechtbank genomen conclusie. 8. Uit het enkele feit dat de strafuitvoeringsrechtbank niet verwijst naar door een veroordeelde ingediende stukken, volgt niet dat de rechtbank die stukken bij de beoordeling niet heeft betrokken. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het middel verduidelijkt niet op welke verweermiddelen van de eiseres de vonnissen niet hebben geantwoord. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 11. Uit de redenen die de vonnissen bevatten, volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk de aanwezigheid van tegenaanwijzingen heeft onderzocht rekening houdend met de op het ogenblik van het in het beraad nemen van de zaak beschikbare gegevens. Door het vermelden van de door artikel 47, § 1, 3°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing en de concrete elementen waaruit die tegenaanwijzing wordt afgeleid, omkleedt de strafuitvoeringsrechtbank de beslissingen regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 25/2 Wet Strafuitvoering: de vonnissen oordelen dat het gegeven dat de eiseres weldra een oranje kaart zou krijgen, niet impliceert dat ze recht heeft op permanent verblijf zodat het niet realistisch is een volledig uitgewerkt en legaal reclasseringsplan op te bouwen; de eiseres beschikt evenwel over een bijlage 19ter waardoor ze in afwachting van het resultaat van de verblijfsprocedure op het Belgisch grondgebied mag verblijven zodat niet zomaar uit te sluiten is dat een reclassering kan worden opgebouwd. 13. Artikel 25/2 Wet Strafuitvoering is vernietigd met het arrest nr. 148/2017 van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017. In zoverre het middel schending aanvoert van die wetsbepaling, faalt het naar recht. 14. De strafuitvoeringsrechtbank kan een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht niet afwijzen louter op grond van de vaststelling dat de veroordeelde niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk. De strafuitvoeringsrechtbank mag bij de beoordeling van het voorhanden zijn van door artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen en het onderzoek naar een haalbare reclassering als grondslag voor het vermijden van recidivegevaar wel degelijk de onzekerheid betreffende de verblijfsstatus van de veroordeelde betrekken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 15. Met de door het middel bekritiseerde overwegingen, oordelen de vonnissen niet dat het gegeven dat de veroordeelde niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten uitsluit, maar betrekken zij wel de onzekerheid betreffende de verblijfsstatus van de eiseres, naast andere feitelijke elementen, bij de beoordeling van de reclasseringskansen en van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Aldus verantwoorden de vonnissen de beslissing tot afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 123 Uitvoeringsbesluit ZIV-wet: de suggestie in de vonnissen dat de eiseres geen recht heeft op een aansluiting bij een Belgisch ziekenfonds is strijdig met deze bepaling. 17. De vonnissen oordelen weliswaar dat de eiseres in orde moet zijn met haar mutualiteit, wat afhankelijk is van haar verblijfsrecht, maar ze oordelen niet dat een aansluiting bij een Belgisch ziekenfonds onmogelijk is. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van de vonnissen, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 14 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.