id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1 Rolnummer: P.22.1634.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-06-05 Raadplegingen: 753 - laatst gezien 2026-06-17 00:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer een beklaagde bij verstek is veroordeeld, moet de verklaring van hoger beroep, ingeval het exploot in strafzaken niet kan worden betekend zoals bepaald in de artikelen 33 tot 35 Gerechtelijk Wetboek en de gerechtsdeurwaarder het afschrift van het exploot, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, heeft betekend aan het openbaar ministerie, worden gedaan uiterlijk dertig dagen na deze betekening, behoudens overmacht of onoverkomelijke dwaling; het gegeven dat een beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst van zijn verstekveroordeling vernam, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden
(1).
(1)Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 48 en 55; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1725-1730; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2022, 1441-
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1634.N A. H., alias A. H., alias H. A., alias H. A., alias H. A., alias H. A., alias A. A., alias H. A. A., alias A. H., alias M. S., alias A. H., alias M. S., alias A. S., , beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Aurélie-Anne De Vos, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 31 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een verstekvonnis, aanvangt vanaf de betekening van dat vonnis ongeacht of de betekening aan de persoon dan wel aan de woonplaats of in toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek aan het openbaar ministerie is gebeurd; door vervolgens te oordelen dat zijn op 4 april 2022 in de gevangenis ingestelde hoger beroep laattijdig was omdat het bij verstek gewezen beroepen vonnis van 3 november 2017 op 22 november 2017 rechtsgeldig was betekend aan het openbaar ministerie, verantwoordt het arrest de beslissing om eisers hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren niet naar recht; daardoor werd aan de eiser het recht op het instellen van een rechtsmiddel en dus de toegang tot een rechter ontzegd; de eiser werd immers slechts bij zijn aanhouding op 4 april 2022 en in een taal die hij niet verstaat voor het eerst in kennis gesteld van zijn veroordeling van 3 november 2017, waarbij hem enkel de beslissing tot zijn onmiddellijke aanhouding werd betekend; aldus werd hij niet op betrouwbare en officiële wijze in kennis gesteld van de mogelijke rechtsmiddelen en de termijnen om die in te stellen; de appelrechters kunnen eisers hoger beroep dan ook niet onontvankelijk verklaren zonder rekening te houden met het feit of hij al dan niet onachtzaam heeft gehandeld, de omstandigheid dat zijn veroordeling voorspelbaar was of het feit dat hij al dan niet werd bijgestaan door een raadsman.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser op 4 april 2022 niet op betrouwbare en officiële wijze in kennis werd gesteld van zijn veroordeling bij verstek en de mogelijke rechtsmiddelen met de termijnen om die in te stellen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak, en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats.
- Wanneer een beklaagde bij verstek is veroordeeld, moet de verklaring van hoger beroep, ingeval het exploot in strafzaken niet kan worden betekend zoals bepaald in de artikelen 33 tot 35 Gerechtelijk Wetboek en de gerechtsdeurwaarder het afschrift van het exploot, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, heeft betekend aan het openbaar ministerie, worden gedaan uiterlijk dertig dagen na deze betekening, behoudens overmacht of onoverkomelijke dwaling. Het gegeven dat een beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst van zijn verstekveroordeling vernam, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest, dat door de eiser op dat punt niet van valsheid wordt beticht, stelt vast dat het beroepen vonnis, dat op 3 november 2017 bij verstek ten laste van de eiser werd gewezen, op 22 november 2017 regelmatig aan het openbaar ministerie werd betekend. De eiser stelde op 4 april 2022 hoger beroep in tegen dit verstekvonnis, dat is buiten de termijn van dertig dagen na de vermelde betekening.
- De appelrechters verklaren eisers hoger beroep niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. Met die beslissing ontzeggen zij de eiser niet het recht om zich te beroepen op het bestaan van een beschikbaar rechtsmiddel, maar stellen zij enkel vast dat hij een ontvankelijkheidsvoorwaarde niet heeft nageleefd die de wet aan het instellen van het hoger beroep verbindt. Die beslissing, die geen nader onderzoek van de in het middel aangehaalde criteria vereist, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 4 april 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div