← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0358.N F. S., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Zvonimir Miskovic, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 4, en § 5, en 22, zesde en zevende lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: een verdere hechtenis uit te voeren in de gevangenis is niet langer aanvaardbaar; er is in het dossier lastens de eiser een complete stand still; het dossier mag als beëindigd worden beschouwd, waardoor eisers voorlopige hechtenis in de gevangenis als een strafmaatregel moet worden bestempeld; de eiser is een Europees burger die geen reden heeft om zich te onttrekken aangezien zijn Belgische partner en zijn dochters in België wonen en hijzelf sedert 2019 onafgebroken in het Rijk verblijft; er wordt steeds verwezen naar een vorige veroordeling van de eiser, maar hij heeft daaruit en anders dan het arrest aanneemt wel degelijk lessen getrokken; het arrest verwijst voor de ernstige aanwijzingen van schuld niet naar specifieke elementen en dergelijke aanwijzingen liggen ook niet voor; de eiser en zijn raadsman moeten toegang krijgen tot al de elementen van het dossier en dienen er niet uitdrukkelijk om te verzoeken; het dossier dat door het federaal parket wordt behandeld en het volledige dossier Brussel moeten aan de eiser en zijn raadsman worden ter beschikking gesteld, wat door de versnippering van de onderscheiden dossiers onmogelijk is geworden; essentiële onderdelen, namelijk “het dossier Brussel”, zijn niet aan de verdediging overgelegd.
  3. Artikel 6.1 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de voorlopige hechtenis.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de voorlopige hechtenis.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  7. Het arrest verwijst voor het bestaan van aanwijzingen van schuld naar de gegevens die zijn vermeld in het bevel tot aanhouding en het stelt vast dat die aanwijzingen nog steeds actueel zijn en bestaan en worden versterkt door de verdere uitwerking van transporten vanuit Zuid-Amerika. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  8. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters wat betreft het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld, de voortgang van het onderzoek en het bestaan van een gevaar voor onttrekking en recidive, is het niet ontvankelijk.
  9. Uit artikel 5.4 EVRM, de artikelen 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt dat een inverdenkinggestelde en zijn raadsman ter gelegenheid van de beslissingen over de handhaving van zijn hechtenis, volgens de in de voormelde bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet bepaalde modaliteiten, inzage moeten kunnen nemen van een volledig dossier. Een volledig dossier is een dossier dat de stukken bevat die verband houden met de voorlopige hechtenis van deze inverdenkinggestelde en waarover de onderzoeksrechter beschikt.
  10. Indien een inverdenkinggestelde aanvoert dat het dossier dat hem ter inzage is gelegd niet volledig is of dat de beoordeling van de voorlopige hechtenis de inzage vereist in andere strafdossiers, moet hij die bewering enigszins aannemelijk maken.
  11. Het onderzoeksgerecht oordeelt daarover onaantastbaar.
  12. Het Hof gaat niettemin na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest oordeelt als volgt: - uit de beslissing om een gedeelte van het onderzoek over te maken aan het federaal parket, volgt niet dat de eiser in het kader van de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis daardoor automatisch recht van toegang verkrijgt tot dit ander strafdossier; - het staat aan de eiser om aannemelijk te maken dat zijn recht van verdediging in het kader van de beoordeling van zijn hechtenis vereist dat hem die toegang wordt verstrekt en dat heeft hij niet gedaan; - de ernstige schuldaanwijzingen worden nog steeds enkel gebaseerd op de gegevens van de observaties die aan tegenspraak worden onderworpen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers recht van verdediging met inbegrip van de wapengelijkheid niet is miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110809.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180424.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.