← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.3 Rolnummer: P.22.1586.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-23 Raadplegingen: 1058 - laatst gezien 2026-06-18 18:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De strafrechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde gegevens; geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel belet de rechter de schuldigverklaring aan mededaderschap aan de teelt van cannabisplanten in vereniging en van diefstal van elektriciteit in het kader van die cannabisplantage te steunen of mede te steunen op het aantreffen van DNA-sporen en vingersporen van een beklaagde op de plaats van de cannabisplantage

(1).
(1)Noot OM. Over de vrije bewijswaardering in strafzaken zie o.a. Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0276.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1, AC 2022, nr. 415; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1104.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5, AC 2021, nr. 166; Cass. 16 december 2020, AR P.20.0818.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.7, AC 2020, nr. 781, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RDP 2021, 840; Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0216.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1, AC 2019, nr. 375; T. Strafr. 2020, 206; Ph. TRAEST, “De innerlijke overtuiging van de rechter en de motiveringsverplichting”, in Strafrecht als roeping. Liber amicorum Lieven Dupont, UP Leuven, 2005, 553-567; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 243-246; T. DECAIGNY, “De stille evolutie inzake de uitsluiting van onbetrouwbaar bewijs”, T. Strafr. 2015, 167-172; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1366 en
  1. Het openbaar ministerie, dat over de middelen van eisers 2 en 3 een gelijkluidend advies uitbracht, was van mening dat het Hof een ambtshalve middel gesteund op de artikelen 66, 461 en 463 Strafwetboek kon aannemen, met als resultaat partiële cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de schuldigverklaring van eisers aan feit B van diefstal van elektriciteit. Het OM achtte dit ambtshalve middel verantwoord om reden dat de motivering over de positieve daad van strafbare deelneming in zijn visie ontoereikend was, met verwijzing naar het arrest Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, AC 2022, nr. 732 en naar het feit dat eisers in eerste aanleg waren vrijgesproken (BDS). Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de beslissing Nr. P.22.1586.N
  2. A. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,
  3. S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,
  4. U. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 november
  5. De eiser 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser 3 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser 1
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na eisers conclusie te beantwoorden en veroordeelt hem wegens de ten laste gelegde feiten van deelneming aan de teelt van verdovende middelen met verzwarende omstandigheden en gewone diefstal van een niet nader bepaalde hoeveelheid elektriciteit op de enige grond dat hij de eigenaar is van het pand waar de cannabisplantage werd ondergebracht.
  7. Het arrest oordeelt als volgt: - naar aanleiding van een vaststelling op 6 september 2019 door een werknemer van Fluvius van diefstal van elektriciteit in een handelspand in de (…) in (…) werd vastgesteld dat op het gelijkvloers van een achtergelegen huis, dat enkel kon worden betreden via de garagepoort van nummer (…), een professionele cannabisplantage werd uitgebaat bestaande uit drie kweekruimtes en één technische ruimte; op het plat dak bevond zich afzuigapparatuur; op het ogenblik van de zoeking bevonden zich in de 880 potten, verspreid over drie kweekruimtes, geen planten meer; - er bleek tevens een illegale aftakking van elektriciteit te zijn aangebracht waardoor de cannabisplantage van elektriciteit kon worden voorzien via de kelderverdiepingen van huisnummers (…) en (…); - de eiser 1 was eigenaar van de panden (…) tot (…) in de (…) te (…); - de eiser 1 stelde het pand ter beschikking met het oog op de exploitatie van de cannabisplantage; - de door de eiser 1 voorgelegde huurovereenkomst met betrekking tot “het achterbouw magazijn gelegen achter nummer (…)” aan een Italiaan om aan te tonen dat hij hierbij geenszins betrokken zou zijn, komt ongeloofwaardig over gelet op het gegeven dat het pand enkel kan worden betreden via een garage aan de voorzijde van de straat, het gegeven dat de elektriciteit illegaal werd afgetakt via het handelspand gelegen in nummer (…) en deze via de kelderverdiepingen van nummers (…) en (…) werd geleid naar het achtergelegen gebouw; al deze panden zijn immers eigendom van de eiser
  8. Met deze redenen, die niet beperkt zijn tot de vaststelling dat de eiser 1 eigenaar is van het pand waarin de cannabisplantage was ondergebracht, beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Middelen van de eisers 2 en 3
  9. Het middel van de eiser 2 voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht verantwoord; de schuldigverklaring van deze eisers is louter en alleen gebaseerd op de aanwezigheid van hun DNA en vingerafdrukken in de cannabisplantage en dit vormt geen automatisch bewijs voor deelneming aan de ten laste gelegde feiten; het aantreffen van DNA kan enkel een aanknopingspunt zijn voor verder onderzoek, maar op zich niet volstaan om tot een veroordeling te komen; het arrest miskent ook de bewijswaarde. Het middel van de eiser 3 voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht verantwoord; de schuldigverklaring van deze eisers is louter en alleen gebaseerd op de aanwezigheid van hun DNA en vingerafdrukken in de cannabisplantage en dit vormt geen automatisch bewijs voor deelneming aan de ten laste gelegde feiten.
  10. Artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grieven. In zoverre falen de middelen naar recht.
  11. De strafrechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde gegevens. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel belet de rechter de schuldigverklaring aan mededaderschap aan de teelt van cannabisplanten in vereniging en van diefstal van elektriciteit in het kader van die cannabisplantage te steunen of mede te steunen op het aantreffen van DNA-sporen en vingersporen van een beklaagde op de plaats van de cannabisplantage. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.