← België

V. contra HEAVY LIFTINGHANDLING NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.4 Rolnummer: P.22.1544.N Zaak: V. contra HEAVY LIFTINGHANDLING NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-23 Raadplegingen: 731 - laatst gezien 2026-06-15 08:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De uit de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting voor de strafrechter in hoger beroep om in de veroordelende beslissing de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen, houdt niet in dat die wetsbepalingen moeten worden vermeld in een afzonderlijke rubriek “Toegepaste wetsbepalingen” of in het dictum van de beslissing; zij kunnen ook worden vermeld bij de overwegingen

(1).
(1)F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie- en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 283-284. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Ingeval de rechter de opschorting van de uitspraak van veroordeling beveelt en dus geen straf oplegt, dient hij geen melding te maken van de bepalingen betreffende de straf
(1).
(1)F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie- en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 281-282; F. VAN VOLSEM, “Een bijzonder aspect van de motiveringsverplichting in politie-en correctionele zaken: over de verplichting de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia, 2013, 443; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014,
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1544.N I P. V. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, II LIFTHING nv, met zetel te 9000 Gent, Annonciadenstraat 28, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, beide cassatieberoepen tegen HEAVY LIFTING + HANDLING nv, met zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Merksemsesteenweg 148, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Bart De Schrijver, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 oktober
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
  3. Het arrest veroordeelt de eisers I en II hoofdelijk tot de betaling aan de verweerster van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro voor de schade veroorzaakt door de feiten vervat onder de telastlegging B. Het veroordeelt de eiser I tot betaling aan de verweerster van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro wegens de schade veroorzaakt door de feiten vervat onder de telastlegging C.
  4. Het houdt de beslissingen over de interesten en de kosten aan.
  5. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en die beslissingen vallen evenmin onder een van de uitzonderingen bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen I en II voorbarig en dus niet ontvankelijk.
  6. Het arrest spreekt de eiseres II vrij voor de feiten van de telastlegging C.
  7. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 461 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van diefstal; het kopiëren van informaticabestanden vormt sedert de inwerkingtreding van artikel 504quater Strafwetboek niet meer dit misdrijf.
  9. Het middel dat louter aanvoert dat de feiten omschreven onder de telastlegging C.1 anders hadden moeten worden omschreven, zonder aan te voeren dat onder die heromschrijving de feiten niet bewezen kunnen worden verklaard en dat de opgelegde maatregel in dat geval niet mogelijk zou zijn, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser I tweemaal, zowel wegens schade veroorzaakt door de feiten omschreven onder de telastlegging B als wegens schade veroorzaakt door de feiten omschreven onder de telastlegging C.1, gehouden is tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro; de verweerster vorderde enkel een schadevergoeding van 1,00 euro provisioneel voor beide telastleggingen samen; aldus kent het arrest meer toe dan door de verweerster werd gevorderd.
  11. Het middel dat betrekking heeft op een beslissing waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na de juiste wettelijke bepalingen te vermelden die werden toegepast met betrekking tot de beoordeling van de geherkwalificeerde feiten voorwerp van de telastlegging C.
  13. De uit de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting voor de strafrechter in hoger beroep om in de veroordelende beslissing de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen, houdt niet in dat die wetsbepalingen moeten worden vermeld in een afzonderlijke rubriek Toegepaste wetsbepalingen of in het dictum van de beslissing. Zij kunnen ook worden vermeld bij de overwegingen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Het arrest vermeldt bij de beoordeling van de schuldvraag met betrekking tot de telastlegging C.1 (randnummer 2.2.1, p. 8, laatste alinea) artikel 461, eerste lid, Strafwetboek. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  15. Ingeval de rechter de opschorting van de uitspraak van veroordeling beveelt en dus geen straf oplegt, dient hij geen melding te maken van de bepalingen betreffende de straf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Het arrest diende dan ook artikel 463 Strafwetboek niet te vermelden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiseres II Eerste middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter en het eerlijk proces: het arrest laat na vast te stellen dat de eiseres II de verkregen informatie, met name de door de eiser I verduisterde tien fysieke dossiers, heeft aangewend en dat er aldus een werkelijke handeling geschiedde in haar belang; een loutere bedrieglijke intentie bij de eiser I is niet voldoende; de verwijzing naar de overwegingen van het beroepen vonnis volstaat evenmin; hierin wordt enkel het gebruik door de eiser I van drie van de tien dossiers vastgesteld; voor de overige zeven dossiers en bijhorende projecten ontbreekt iedere vaststelling dat deze in het licht van de strafrechtelijke toerekenbaarheid van de eiseres II werden gebruikt; er kan dan ook niet worden besloten dat de handelingen van de eiser I wat betreft deze zeven dossiers in het belang van de eiseres II werden gesteld; nochtans is deze vaststelling in het kader van de strafrechtelijke toerekenbaarheid van belang voor de burgerlijke rechtsvordering die door de verweerster wordt gesteld.
  18. In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het recht van de eiseres II op een eerlijk proces is miskend, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  19. Uit artikel 5 Strafwetboek volgt dat een rechtspersoon in beginsel elk misdrijf kan plegen voor zover dit misdrijf hem materieel en moreel kan worden toegerekend.
  20. Een misdrijf kan materieel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen of indien, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, het voor zijn rekening is gepleegd.
  21. Een misdrijf kan moreel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien blijkt dat het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is bij de rechtspersoon.
  22. Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon sluit niet uit dat bij de beoordeling van de materiele en morele toerekening rekening wordt gehouden met de gedragingen van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersoon handelen, ook indien uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat die één natuurlijke persoon het gedrag van de rechtspersoon volledig beheerst.
  23. Met eigen redenen (p. 13-14) en met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 17), oordelen de appelrechters met betrekking tot de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiseres II als volgt: - uit de strafinformatie blijkt ontegensprekelijk dat de door de eiser I gepleegde feiten werden gepleegd ter verwezenlijking van het doel, ter waarneming van de belangen en voor rekening van de eiseres II, die hij immers precies had opgericht om concurrerende activiteiten te ontwikkelen; - tevens blijkt dat de eiser I niet enkel de drijvende kracht was, destijds achter de verweerster, en minstens evenveel achter de eiseres II; - op die manier valt hij als leidende persoon binnen de eiseres II quasi samen met de eiseres II; - de eiseres II betreft een handelsvennootschap, die, op het ogenblik van de feiten, voorwerp van de telastlegging B, reeds was opgericht; - het lijdt geen twijfel dat de gepleegde feiten het gevolg zijn van een opzettelijke beslissing, niet enkel van de eiser I, maar ook van de eiser I en van S. als bestuurders van de eiseres II, genomen binnen de schoot van deze rechtspersoon, en er zodoende een corporatief schuldpatroon aanwezig is; - de vraag of de bedoelde mappen kopieën bevatten is niet determinerend voor de beoordeling van de schuld van de eiseres II aan de telastlegging B, net zo min als de vraag of de verweerster de gegevens vervat in deze mappen steeds minstens in digitale vorm voorhanden had; - het voorwerp van de telastlegging B zijn de tien dossiers met inhoud zoals aangegeven in deze telastlegging; - de eiser I betwist niet dat de onder deze telastlegging bedoelde stukken door hem louter werden verkregen in het kader van de uitvoering van zijn mandaat bij de verweerster en dat deze stukken niet hem maar de burgerlijke partij toebehoorden; - er dient te worden vastgesteld dat de eiser I de onder de telastlegging B bedoelde mappen en hun inhoud, die hem niet toebehoorden, opzettelijk heeft achtergehouden na de beëindiging van zijn opdracht bij de verweerster, met de bedrieglijke bedoeling om deze minstens ten titel van informatie of voorbeeld te kunnen aanwenden in zijn identieke bedrijvigheid voor eigen rekening middels de eiseres II en gebeurlijk om de eiseres II toe te laten om concreet en accuraat in te grijpen in de projecten vervat in deze mappen; - de onder de telastlegging B bedoelde feiten werden derhalve gepleegd in het belang van de eiseres II door een orgaan van deze rechtspersoon, en de eiseres II heeft aldus gebruik kunnen maken van de wederrechtelijk verkregen informatie bij de ontplooiing van haar handelsactiviteiten; - de eiseres II heeft niets ondernomen om erop toe te zien dat er in dit laatste verband geen onregelmatigheden werden gepleegd. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de onder de telastlegging B bedoelde feiten materieel en moreel toerekenbaar zijn aan de eiseres II, zonder dat het gegeven dat de eiseres II effectief gebruik heeft gemaakt van de informaticamappen daarbij relevant is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt de conclusie van de eiseres II niet waarin zij aanvoerde dat de feiten van de telastlegging B haar niet materieel kunnen worden toegerekend bij gebrek aan aanwending van de mappen door haar.
  25. Met de redenen weergegeven in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  26. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met de van het beroepen vonnis overgenomen redenen betreffende het daadwerkelijk gebruik van drie fysieke dossiers, geeft het arrest van het proces-verbaal van verhoor van B. een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
  27. Het arrest geeft geen uitlegging van het bedoelde proces-verbaal van verhoor, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 162,31 euro, waarvan de eiser I 81,15 euro is verschuldigd en de eiseres II 81,16 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.