← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7 Rolnummer: P.22.1716.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-03-23 Raadplegingen: 1942 - laatst gezien 2026-06-18 20:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Gelden van een vennootschap zijn ter bede toevertrouwd aan haar bestuurders, die deze gelden enkel mogen beheren en besteden in het belang van de vennootschap; het wanbedrijf misbruik van vertrouwen vereist als materieel constitutief bestanddeel een verduistering of een verspilling; een verduistering zoals hier bedoeld is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd; die verduistering kan aldus bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent

(1); dat deze gelden ingevolge die toe-eigening in eigendom overgaan op die bestuurder, impliceert bijgevolg niet dat het materieel constitutief bestanddeel van het misbruik van vertrouwen niet is vervuld, maar integendeel dat het precies wel is vervuld.
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 736, met concl. OM; Cass. 31 mei 2016, AR P.15.1507.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.3, AC 2016, nr. 360, NC 2018, 379 noot E. VAN DOOREN; Cass. 9 februari 2016, AR P.14.0777.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1, AC. 2016, nr. 88 met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 3 juni 2014, AR P.13.0283.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1, AC 2014, nr. 397, RW 2014-15, 1463 noot L. VAN DEN STEEN. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1716.N O. A. alias O. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Willy Dierickx, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 november
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan misbruik van vertrouwen wegens het opnemen van bedragen in een rekening-courant van zijn vroegere vennootschap; er is echter geen precair bezit van het opgenomen geld aangezien bedragen opgenomen in een rekening-courant in eigendom overgaan naar de rekeninghouder.
  3. Gelden van een vennootschap zijn ter bede toevertrouwd aan haar bestuurders, die deze gelden enkel mogen beheren en besteden in het belang van de vennootschap. Het wanbedrijf misbruik van vertrouwen vereist als materieel constitutief bestanddeel een verduistering of een verspilling. Een verduistering zoals hier bedoeld is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd. Die verduistering kan aldus bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent. Dat deze gelden ingevolge die toe-eigening in eigendom overgaan op die bestuurder, impliceert bijgevolg niet dat het materieel constitutief bestanddeel van het misbruik van vertrouwen niet is vervuld, maar integendeel dat het precies wel is vervuld. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser bij het boeken van de bedragen op de rekening-courant van de vennootschap wist dat hij deze gelden niet kon terugbetalen, minstens dat hij daarover niet de minste zekerheid kon hebben; het verwijst daarvoor enkel naar de financiële toestand van de vennootschap, zonder rekening te houden met de solvabiliteit van de eiser zelf; aldus veroordeelt het arrest de eiser ten onrechte wegens misbruik van vertrouwen.
  5. Het arrest (p. 11-12) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser gebruikte sinds 2016 systematisch het geld van de vennootschap voor het bekostigen van privé-uitgaven, zowel alledaagse uitgaven als grote bedragen voor de renovatie van zijn privéwoning; - de eiser betaalde die bedragen niet systematisch terug aan de vennootschap en zijn beperkte terugbetalingen in verhouding tot de totaliteit van de schuld overtuigen niet dat de eiser op het ogenblik waarop hij de gelden uit de vennootschap haalde, wist dat hij in de mogelijkheid was de gelden terug te betalen; - interesten op de “lening” werden overigens ook niet betaald; - de eiser noch zijn echtgenote hadden kennelijk andere inkomsten dan deze uit hun activiteiten in de vennootschap, waaruit een voldoende capaciteit of zekerheid tot terugbetaling van de “geleende” gelden kon blijken; - ook het feit dat er binnen de vennootschap winst werd gemaakt, is niet van aard te kunnen overtuigen dat de eiser wist dat hij de gelden zou kunnen terugbetalen; - het blijkt niet dat de eiser of zijn echtgenote een ruime verloning van de vennootschap ontving, terwijl eisers mandaat statutair onbezoldigd was; - dat de financiële situatie van de vennootschap overigens in werkelijkheid niet zo positief was, blijkt uit de schulden die reeds enige tijd bestonden; - eisers bewering dat hij de bedoeling had om op regelmatige basis de rekening-courant af te betalen, wat niet zou zijn gelukt door de tussenkomst van het faillissement, wordt gelet op het vorige door geen enkel objectief element gesteund. Met die redenen, die niet louter verwijzen naar de financiële toestand van de vennootschap maar ook naar de financiële toestand van de eiser en zijn echtgenote, motiveert het arrest waarom de eiser naar het oordeel van de appelrechters reeds op het moment van de toe-eigening van de gelden van de vennootschap wist dat hij deze gelden niet zou kunnen terugbetalen of daarover geen zekerheid had en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  6. In zoverre het onderdeel schending van artikel 491, eerste lid, Strafwetboek aanvoert, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en artikel 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser een reëel vermogensbestanddeel van de vennootschap, namelijk de gelden, zou hebben vervangen door een fictief vermogensbestanddeel, namelijk een oninbare schuldvordering, wat een mogelijke benadeling zou hebben veroorzaakt; daarmee miskent het arrest de bewijskracht van de notariële verkoopsvoorwaarden in het kader van het uitvoerend beslag op het onroerend goed dat de eiser met de gelden van de vennootschap heeft gerenoveerd; daaruit blijkt immers dat die eigendom toebehoorde en nog steeds toebehoort aan de eiser en zijn voormalige echtgenote.
  8. Een grief in verband met de bewijskracht van akten houdt geen verband met de motiveringsplicht van de rechter op grond van artikel 149 Grondwet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Het arrest verwijst niet naar de in het onderdeel vermelde verkoopsvoorwaarden en kan bijgevolg de bewijskracht daarvan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  10. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 491, eerste lid, Strafwetboek, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160209.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.