id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8 Rolnummer: P.22.1648.N Zaak: U. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-03-23 Raadplegingen: 1046 - laatst gezien 2026-06-19 00:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Voor een schuldigverklaring als deelnemer aan een oplichting is niet vereist dat de deelnemer zelf de constitutieve bestanddelen van de oplichting vervult; het volstaat dat de betrokkene een door artikel 66 Strafwetboek bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, kennis heeft van alle omstandigheden die van de feiten een bepaalde oplichting maken en het opzet heeft zijn medewerking aan die oplichting te verlenen; een voorafgaand akkoord tussen de dader en de deelnemer kan een daad van strafbare deelneming opleveren
(1); dat akkoord of de veruitwendiging ervan hoeft zich niet te situeren binnen de incriminatieperiode waarin de effectieve feiten van oplichting worden gepleegd.
(1)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10, AC 2023, nr. 27; Cass. 26 april 2017, AR P.17.0184.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2, AC 2017, nr. 290; Cass. 17 januari 2006, AR P.05.1304.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4, AC 2006, nr. 39, RABG 2006, 883; F. VAN VOLSEM, “Strafbare deelneming is tijdige deelneming”, RABG 2006, 884-888; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, 583-
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66 en 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 De strafrechter die oordeelt op grond van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek en artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, moet niet het causaal verband beoordelen tussen de schade en de specifieke gedragingen van een beklaagde die het als misdrijf omschreven feit opleveren, maar wel het causaal verband tussen de schade en het als misdrijf omschreven feit zelf dat de beklaagde heeft gepleegd of waaraan hij op een in de strafwet bepaalde wijze heeft deelgenomen. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Middellijke of onmiddellijke oorzaak Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1648.N G. A. U., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Achter, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64 bus 201, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- E. H.,
- E. D.,
- L. G.,
- P. H.,
- M. R.,
- J. G.,
- R. D.,
- C. V.,
- R. V. R.,
- D. V. R.,
- J. B.,
- G. P.,
- K. P.,
- G. P.,
- G. P.,
- H. P.,
- L. P.,
- T. P.,
- M.-T. D.,
- C. L.,
- R. S.,
- L. O.,
- J. B.,
- W. V. G.,
- W. B.,
- M. S.,
- R. H.,
- D. D. B.,
- J. G.,
- W. J.,
- H. D.,
- C. L.,
- M. B.,
- A. G.,
- M. B.,
- J. P. P.,
- H. B., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest is ten aanzien van de verweerders 20, 25, 31, 33 en 34 bij verstek gewezen en vatbaar voor verzet. Op grond van artikel 424 Wetboek van Strafvordering is het cassatieberoep tegen die verweerders, ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, niet ontvankelijk.
- Het arrest houdt de uitspraak over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders 18 en 19 aan overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 130 en 182 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest steunt de beslissingen over de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvorderingen op de bewezenverklaring lastens de eiser van de telastleggingen B.1 tot B.38, waarvan het de incriminatieperiode bepaalt tussen 1 januari 2011 en 7 december 2011; binnen dat kader verklaart het arrest feitelijke gedragingen bewezen die bestaan in
(1)het namens de vennootschap VBR ondertekenen van de trustovereenkomst op 23 november 2010 en
(2)het namens VBR bevestigen van een schuldbekentenis en betalingsplan op 12 december 2012 en van de ontvangst van alle documenten en gelden inzake de verkoop van aandelen op 18 december 2012; het arrest kwalificeert deze feiten vervolgens als strafbare, want noodzakelijke deelnemingshandelingen van de eiser aan het misdrijf oplichting door “ten overstaan van om het even wie de indruk te hebben gewekt de eigenaar-aandeelhouder en minstens werkelijke economische begunstigde en daarom beslissingsnemer te zijn van de Canadese vennootschap VBR”; deze feitelijke elementen, die buiten de incriminatieperiode vallen en bijgevolg niet behoren tot de saisine van de appelrechters, kunnen echter niet als grondslag dienen voor de bewezenverklaring van de telastleggingen B.1 tot B.38 en de gegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvorderingen.
- Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen en dit met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die toebehoort aan een ander.
- Voor een schuldigverklaring als deelnemer aan een oplichting is niet vereist dat de deelnemer zelf de constitutieve bestanddelen van de oplichting vervult. Het volstaat dat de betrokkene een door artikel 66 Strafwetboek bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, kennis heeft van alle omstandigheden die van de feiten een bepaalde oplichting maken en het opzet heeft zijn medewerking aan die oplichting te verlenen. Een voorafgaand akkoord tussen de dader en de deelnemer kan een daad van strafbare deelneming opleveren. Dat akkoord of de veruitwendiging ervan hoeft zich niet te situeren binnen de incriminatieperiode waarin de effectieve feiten van oplichting worden gepleegd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verklaart de eiser als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek schuldig aan de feiten van de telastleggingen B.1 tot B.38, bestaande in de bedrieglijke verkoop van niet-bestaande of minstens waardeloze aandelen van de vennootschap VBR aan het publiek in de periode tussen 1 januari 2011 en 7 december
- Het leidt het bestaan van de noodzakelijke hulp van de eiser tot het plegen van die feiten af uit de vaststelling dat de eiser zich met kennis van zaken de fictieve hoedanigheid van aandeelhouder en “beneficial owner” (ultieme eigenaar) van de vennootschap VBR heeft toegemeten en in die hoedanigheid op 23 november 2010, als zogenaamde vertegenwoordiger van VBR, een trustovereenkomst heeft gesloten met SFAM, op grond waarvan deze laatste op een geloofwaardige wijze de aandelen van VBR te koop kon aanbieden. Het arrest voegt eraan toe dat de eiser is blijven doen uitschijnen VBR te kunnen verbinden tot laatst op 18 december 2012, datum waarop hij nog heeft bevestigd dat SFAM aan al haar verplichtingen had voldaan. De appelrechters die aldus de schuld van de eiser als mededader van de oplichting afleiden uit de fictieve hoedanigheid met behulp waarvan hij reeds vóór de incriminatieperiode de feiten van oplichting in overleg met de daders heeft voorbereid en die hij gedurende de ganse incriminatieperiode heeft aangehouden om potentiële kopers van de aandelen te misleiden, treden niet buiten hun saisine, maar verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er voor wat betreft de eiser een causaal verband bestaat tussen het misdrijf oplichting omschreven in de telastleggingen B.1 tot B.38 en de schade van de verweerders; er kan enkel een causaal verband worden aangenomen tussen de concrete deelnemingshandelingen waaraan het arrest de eiser schuldig verklaart en die schade.
- De strafrechter die oordeelt op grond van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek en artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, moet niet het causaal verband beoordelen tussen de schade en de specifieke gedragingen van een beklaagde die het als misdrijf omschreven feit opleveren, maar wel het causaal verband tussen de schade en het als misdrijf omschreven feit zelf dat de beklaagde heeft gepleegd of waaraan hij op een in de strafwet bepaalde wijze heeft deelgenomen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de eiser mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek is van de feiten omschreven als oplichting in de telastleggingen B.1 tot B.38 omdat hij aan de daders zodanige hulp heeft verleend dat zij die feiten zonder zijn bijstand niet hadden kunnen plegen. Op die grond veroordeelt het arrest (p. 87) de eiser in solidum met die daders tot vergoeding van de schade van de verweerders. Aldus oordeelt het arrest dat de feiten gepleegd door de eiser en de overige daders samenlopende fouten opleveren die bijdragen tot de totaliteit van dezelfde schade van de verweerders. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.3 en 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regel van de bewijskracht van de stukken: het arrest motiveert niet op grond van welke stukken van het strafdossier het aanneemt dat de eiser noodzakelijke hulp aan de feiten van oplichting heeft verleend; aldus kan het causaal verband tussen de aan de eiser verweten fouten en de schade van de verweerders niet met de vereiste zekerheid worden vastgesteld; het arrest is bovendien behept met een tegenstrijdigheid in die zin dat het enerzijds zelf stelt dat de verweerders de trustovereenkomst van 23 november 2010 niet overhandigd kregen, maar anderzijds wel besluit dat diezelfde trustovereenkomst de geconstrueerde fictie ten overstaan van de burgerlijke partijen heeft onderbouwd.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
- Voor het overige komt het onderdeel dat formeel de miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 509,71 euro, waarvan 474,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060117.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div