id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.1 Rolnummer: F.21.0076.N Zaak: TAXICOLOGY bv contra BELGISCHE STAAT, MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-04-06 Raadplegingen: 1020 - laatst gezien 2026-06-19 03:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De interest inzake btw heeft enerzijds een vergoedende functie en moet anderzijds de belastingplichtige ertoe aanzetten de verschuldigde btw tijdig aan de Schatkist over te maken, waarbij dient te worden voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent door de verschuldigde btw niet door te storten; zij strekt er niet toe te straffen en herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen en is derhalve geen strafsanctie in zin van artikel 6 EVRM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 91 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 Een belasting is enkel verenigbaar met het recht op het ongestoord genot van de eigendom, indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel; een interestvoet inzake btw van 0,8 pct. per maand, zoals bepaald in artikel 91, § 1, Btw-wetboek, is niet onevenredig tot het door de wetgever nagestreefde doel. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 91 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0076.N TAXICOLOGY bv, met zetel te 9070 Destelbergen, Koedreef 34, bus 301, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0879.534.335, eiseres, met als raadsman mr. Sylvie Vandenabeele, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergsestraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Ontvanger van het Team Invordering Gent 1, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 101, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 oktober 2020. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. De appelrechters oordelen dat: - “de [eiseres] zich gegriefd [weet] door het bestreden vonnis omdat de eerste rechter niet inging op het middel dat er toe strekt te zeggen dat deze wijze van aanrekening in strijd is met het recht van verdediging en het recht op toegang tot een rechter voorzien in artikel 6 EVRM en met het eigendomsrecht voorzien in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM”; - “ongeacht het antwoord op de vraag of de ingeroepen rechtsgronden toepasselijk zijn op belastingen en interest (te onderscheiden van sancties, zoals een geldboete) het hof [van beroep] hoe dan ook [vaststelt] dat de aangevoerde schendingen niet bestaan”, aangezien “er (…) geen vermindering [is] van het recht van verdediging, noch van het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter, noch van het eigendomsrecht door het feit dat betalingen eerst op de interest gebeuren waardoor het betalen na de vervaldag van het nominale bedrag van de belasting (de hoofdsom) - wegens de aanrekening eerst op de ondertussen al opgelopen interest - tot gevolg heeft dat er een saldo aan ‘belasting’ blijft openstaan”; - “de [eiseres] (…) [ten onrechte] [aanvoert] dat het om een systeem zou gaan dat de [verweerder] voor zichzelf geïnstalleerd heeft voor eigen geldgewin en een ‘verrijking’ inhoudt ‘op de kap van de belastingplichtige’ en dat aan de belastingplichtige een ‘sanctie’ oplegt, zelfs als hij de argumentatie van de administratie betwist”; - “het systeem van verrekening uit artikel 6 KB nr. 24 (…) volstrekt gelijk [is] aan dat van het civiele recht, zoals verwoord in artikel 1254 BW”, dat “er niet [valt] in te zien waarom voor belastingen deze algemeen aanvaarde wijze van verrekening van betaling niet aanvaardbaar zou zijn” en dat “het [in geen geval gaat] om een soort van ‘eigenrichting’”; - “interest trouwens maar verschuldigd [is] als en wanneer er vertraging is in de betaalverplichting (die hier ontstaat door en krachtens de wet wegens het enkele feit dat de belastingplichtige een btw-aangifte doet waaruit een saldo in het voordeel van de Schatkist blijkt – zoals hier het geval is)”. - “deze betwisting [verder] zonder voorwerp [zal] vallen, wanneer het hof [van beroep] tot de vaststelling zou komen dat er geen reden was om interest aan te rekenen” zodat “dat er sprake zou zijn van benadeling van de belastingplichtige als hij de argumentatie van de administratie betwist, (…) onjuist [is]”; - “de huidige procedure [ook bewijst] dat de [eiseres] wel degelijk toegang heeft tot een rechter die het geschil objectief en onafhankelijk moet beoordelen”. Aldus gaan de appelrechters wel degelijk na of er geen sprake is van een inbreuk op artikel 6 EVRM en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. 2. Het middel dat aanvoert dat de appelrechters in gebreke blijven te onderzoeken in hoeverre een belastingplichtige die zich niet verzet tegen de gevorderde fiscale hoofdsom maar wel tegen de opgelegde fiscale sancties, in zijn recht op toegang tot de rechter wordt beperkt en in hoeverre de toegepaste verrekeningsregel al dan niet in overeenstemming is met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Tweede onderdeel 3. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is bepaald. 4. De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet als strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit is het geval indien (
- i)de overtreden bepaling gericht is tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, (
- ii)de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft en (iii) de zwaarte van de sanctie of bijzondere belasting aanzienlijk is. 5. Krachtens artikel 91, § 1, Btw-wetboek, zoals hier van toepassing, is een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet is voldaan binnen de in deze wetsbepaling nader omschreven termijnen. 6. De interest inzake btw heeft enerzijds een vergoedende functie en moet anderzijds de belastingplichtige ertoe aanzetten de verschuldigde btw tijdig aan de Schatkist over te maken, waarbij dient te worden voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent door de verschuldigde btw niet door te storten. Zij strekt er niet toe te straffen en herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen. Dat de interest inzake btw hoger ligt dan de wettelijke rentevoet, doet daaraan geen afbreuk gelet op de bedoeling om ook ontradend te werken en te voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent. Derhalve is de interest inzake btw geen strafsanctie in zin van artikel 6 EVRM. 7. Het onderdeel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste onderdeel 8. Krachtens artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullende Protocol EVRM hebben alle natuurlijke of rechtspersonen recht op het ongestoord genot van hun eigendom en kan niemand van zijn eigendom beroofd worden behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Krachtens het tweede lid van die verdragsbepaling zullen de voorgaande bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. 9. Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie. 10. Een interestvoet inzake btw van 0,8 pct. per maand, zoals bepaald in artikel 91, § 1, Btw-wetboek, is niet onevenredig tot het door de wetgever nagestreefde doel zoals blijkt uit randnummer 6. 11. Het onderdeel dat op een tegenovergestelde rechtsopvatting berust, faalt naar recht. Derde onderdeel 12. Het onderdeel dat de miskenning van het gelijkheidsbeginsel aanvoert maar nalaat schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet aan te voeren, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 403,03 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260213.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.