id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.2 Rolnummer: F.21.0100.N Zaak: VAB nv c. BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2023-04-06 Raadplegingen: 1198 - laatst gezien 2026-06-18 17:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.2 Fiches 1 - 6 Het hof stelt alvorens uitspraak te doen aan het Grondwettelijk Hof de hiernavolgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 275/5 WIB92, zoals van toepassing op het geding, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en niet van de individuele werknemers, het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10 en 11 gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, doordat een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen ondernemingen waarin de verschillende ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, die wel van de vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, die uitgesloten worden van de vrijstelling, in het licht van het door de maatregel nagestreefde doel om tegemoet te komen aan de extra kosten voor de werkgever die met een ploegenstelsel werkt en van het antwoord van de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun uitmaakt in de mate dat zij zich uitstrekt tot vrijwel alle economische sectoren?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 275 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 7 De wetgever heeft de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing willen voorbehouden aan ondernemingen die werken met ploegen die hetzelfde werk doen qua inhoud en qua omvang; voor de toepassing van deze fiscale gunstmaatregel is vereist dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, niet op het niveau van de individuele werknemers. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Tekst van de beslissing Nr. F.21.0100.N VAB nv, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Pastoor Coplaan 100, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0436.267.594, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, met keuze van woonplaats bij de Directeur van de Stafdienst Logistiek, met kantoor te 1000 Brussel, North Galaxy, Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 15 oktober 2019 en 19 januari
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE
- Uit de arresten blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden: - de eiseres is een dienstverlenend bedrijf dat 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 interventies uitvoert waarbij de leden geholpen worden met pech onderweg, thuis of op reis; - de wegenwachters beschikken over een voertuig; - als iemand met pech de eiseres contacteert, komt die bij de dienst “intake” terecht op de alarmcentrale in […], die het probleem en de locatie van de hulpzoekende noteert, waarna deze gegevens worden doorgestuurd naar de dienst “dispatch”, eveneens gevestigd in […], die een chauffeur contacteert aan wie de opdracht wordt gegeven om zich naar een bepaalde plaats te begeven om de pech te verhelpen; - de eiseres maakt gebruik van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, zoals bepaald in artikel 275/5 WIB92; - de verweerder heeft aan de eiseres op 23 december 2014 een bericht van wijziging van de aangifte voor het aanslagjaar 2012 verzonden, met de mededeling dat de eiseres voor haar wegenwachters onterecht een beroep op voornoemde vrijstelling zou hebben gedaan, en heeft op 10 maart 2015 de aanslagen in de bedrijfsvoorheffing gevestigd; - de eiseres heeft tegen deze aanslagen een bezwaarschrift ingediend, dat de verweerder bij directoriale beslissing van 28 januari 2016 heeft afgewezen; - bij vonnis van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de vordering van de eiseres tot hervorming van die directoriale beslissing en tot gegrondverklaring van haar bezwaarschrift, afgewezen, om reden dat de eiseres geen recht had op een vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, aangezien deze slechts geldt wanneer hetzelfde werk qua inhoud en qua omvang wordt verricht op het niveau van de ploeg en de eiseres slechts aantoont dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de individuele werknemers; - bij de thans bestreden arresten heeft het hof van beroep te Antwerpen dit vonnis bevestigd. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 275/5, § 1, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden de ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 15,6 pct. van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. Krachtens § 2, 1°, van voornoemde bepaling wordt voor de toepassing van § 1 verstaan onder ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: “de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak.” In de Franstalige versie van dit artikel 275/5, § 2, 1°, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht, gedefinieerd als “les entreprises où le travail est effectué en au moins deux équipes comprenant deux travailleurs au moins, lesquelles font le même travail tant en ce qui concerne son objet qu'en ce qui concerne son ampleur et qui se succèdent dans le courant de la journée sans qu'il n'y ait d'interruption entre les équipes successives et sans que le chevauchement excède un quart de leurs tâches journalières”. Uit de wetsgeschiedenis van voormeld artikel 275/5 WIB92 blijkt dat de wetgever met deze vrijstellingsmaatregel tegemoet wil komen aan de extra kosten waarmee ploegenarbeid werkgevers confronteert ten opzichte van zijn werknemers in vergelijking tot andere werknemers. Voorzieningen zoals bijvoorbeeld openbaar vervoer of kinderopvang zijn volgens de wetgever op atypische werkuren immers veel minder voorhanden of zelfs onbestaande.
- De Europese Commissie heeft, na aanmelding van de vrijstellingsmaatregel door de verweerder, bij brief van 20 april 2004, C
(2004)1357fin, geantwoord dat deze maatregel geen verboden staatssteun uitmaakt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, aangezien in vrijwel elke economische sector ploegenarbeid wordt verricht, zodat zij niet sectoraal selectief is. 4. Wanneer artikel 275/5 WIB92 aldus wordt uitgelegd dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en niet van de individuele werknemers, zouden ondernemingen waarin de ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, met name in de industriële sector, van de vrijstelling genieten, terwijl ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, zoals met name het geval kan zijn in andere sectoren, uitgesloten zouden worden van de vrijstelling. De vraag rijst, zoals de eiseres in het middel opwerpt, of er voor dit onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat in het licht van het door de maatregel nagestreefde doel om tegemoet te komen aan de extra kosten voor de werkgever die met een ploegenstelsel werkt en in het licht van het antwoord van de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun uitmaakt omdat zij zich uitstrekt tot vrijwel alle economische sectoren. Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben uitspraak gedaan over de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 275/5 WIB92, zoals van toepassing op het geding, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en niet van de individuele werknemers, het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10 en 11 gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, doordat een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen ondernemingen waarin de verschillende ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, die wel van de vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, die uitgesloten worden van de vrijstelling, in het licht van het door de maatregel nagestreefde doel om tegemoet te komen aan de extra kosten voor de werkgever die met een ploegenstelsel werkt en van het antwoord van de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun uitmaakt in de mate dat zij zich uitstrekt tot vrijwel alle economische sectoren?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.2 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div