id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 Rolnummer: F.21.0056.N Zaak: BELGSICHE STAAT fod Financiën c. V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-04-06 Raadplegingen: 1779 - laatst gezien 2026-06-18 07:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 Fiche De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; het toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Het Hof specificeert voor het eerst dat de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen wanneer het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0056.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het BTW ontvangkantoor Gent 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 107, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen L. V. O., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 mei
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert onder meer schending aan van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart
- Deze bepaling die verband houdt met het genaderecht van de uitvoerende macht, is vreemd aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van deze bepaling, is het niet ontvankelijk.
- De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen.
- Het onderdeel berust volledig op de onjuiste veronderstelling dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. Tweede onderdeel
- De appelrechter stelt vast dat de eiser een administratieve geldboete van 200 pct. heeft opgelegd, zijnde een bedrag van 34.900 euro.
- Hij oordeelt dat: - de essentie erin bestaat dat het hof van beroep de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen; - uit het proces-verbaal van 29 oktober 2013 blijkt dat de verweerster hoe dan ook slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit, wat haar slechts een beperkte financiële armslag geeft; - de verweerster bewijst dat door de eiser op grond van dezelfde feiten voor de personenbelasting supplementaire aanslagen werden gevestigd voor de aanslagjaren 2007 tot 2011 waarvoor telkens een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 50 pct. werd opgelegd; - waar de Belgische wettelijke regels weliswaar inhouden dat de twee sancties naast elkaar mogen bestaan, bij de beoordeling toch rekening moet gehouden worden met het feit dat in wezen tweemaal voor dezelfde feiten een sanctie werd opgelegd.
- Door, rekening houdend met de weerslag van de sanctie op de vermogenstoestand van de verweerster en met de hoogte van de reeds opgelegde sancties, de boete te verminderen tot 50 pct. of 8.725 euro, toetst de appelrechter, anders dan het onderdeel aanvoert, de boete aan het evenredigheidsbeginsel zonder te vervallen in een louter subjectieve beoordeling of een loutere opportuniteitsbeoordeling en verantwoordt hij zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 445,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2024:ARR.20240513.1 ECLI:BE:CALIE:2025:DEC.20250205.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div