id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 2.1.
- 31 Link Justel databank 19480626-31 Fiche 5 Het feit dat een auteur een werk in het kader van zijn beroepsactiviteiten produceert, en daarbij wordt verondersteld de nodige professionele deskundigheid aan de dag te leggen, verhindert als dusdanig niet dat het werk als oorspronkelijk in aanmerking kan komen
(1).
(1)Zie concl. OM. Op dezelfde datum werd ook in dezelfde zin arrest uitgesproken in de zaak F.21.0054.N. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Wet 22 maart 1886 (Nederlandse tekst bij wet van 26 juni 1981) - 22-03-1886 - Artt. 1 en 8 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken (herzien te Brussel op 26 juni 1948) -
Art. 2.1.
- 31 Link Justel databank 19480626-31 Fiche 6 Wanneer voor de creatie van een werk technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, heeft dat werk niet de oorspronkelijkheid die vereist is om een auteursrechtelijk beschermd werk te kunnen vormen; een werk kan daarentegen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan door technische overwegingen, regels of andere beperkingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet zijn persoonlijkheid in het werk door vrije en creatieve keuzes tot uiting te brengen
(1).
(1)Zie concl. OM. Op dezelfde datum werd ook in dezelfde zin arrest uitgesproken in de zaak F.21.0054.N. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Wet 22 maart 1886 (Nederlandse tekst bij wet van 26 juni 1981) - 22-03-1886 - Artt. 1 en 8 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken (herzien te Brussel op 26 juni 1948) -
Art. 2.1.
- 31 Link Justel databank 19480626-31 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2022, n° 31, p. 554-
- - BOULARBAH, Hakim; Note'Le juge doit d'office soulever la nullité de la signification de l'acte de procédure qui n'a pas atteint son destinataire et ordonner qu'il soit remédié à l'irrégularité' Tekst van de beslissing Nr. F.21.0052.N
- D. A.,
- S. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur van het centrum KMO Gent, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6, bus 304, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 maart
- Met het arrest van 23 juni 2022 heeft het Hof aan de eisers de mogelijkheid verleend om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022, op hun kosten, het verzoekschrift in cassatie te betekenen aan het kabinet van de minister van Financiën of aan de ambtenaar die is aangewezen in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan. De eisers hebben het verzoekschrift in cassatie op 15 juli 2022 rechtsgeldig aan de verweerder betekend. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerder voert een eerste middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: de onregelmatige betekening door de eisers aan de verweerder van het verzoekschrift in cassatie op 16 maart 2021 heeft de belangen van de verweerder geschaad en de belangen van de verweerder blijven, niettegenstaande de regelmatige betekening door de eisers aan de verweerder van het verzoekschrift in cassatie op 15 juli 2022, geschaad.
- Het bestreden arrest werd door de verweerder aan de eisers betekend op 18 februari
- De eisers legden op 19 maart 2021 een verzoekschrift in cassatie ter griffie van het Hof neer. Het verzoekschrift in cassatie werd door de eisers op 16 maart 2021 aan de adviseur-generaal te Centrum KMO Gent betekend. Vermits de betekening van het verzoekschrift in cassatie aldus noch gebeurde aan het kabinet van de minister van Financiën, noch aan de ambtenaar die is aangewezen in artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober 2012 houdende aanwijzing van de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën op wiens kantoor de Staat kan worden gedagvaard en de betekeningen en kennisgevingen kunnen worden gedaan, verleende het Hof bij arrest van 23 juni 2022, met toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, aan de eisers de mogelijkheid om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022, op hun kosten, het verzoekschrift in cassatie te betekenen aan het kabinet van de minister van Financiën of aan de ambtenaar die is aangewezen in voormeld artikel 1 van het ministerieel besluit van 25 oktober
- De eisers hebben daarop het verzoekschrift in cassatie op 15 juli 2022 rechtsgeldig aan de verweerder betekend.
- Aldus kon de verweerder van het verzoekschrift in cassatie kennis nemen en kon hij zich verweren op het daarin voorgedragen middel.
- Voorts diende de verweerder zich eraan te verwachten dat in geval van een tijdige maar onregelmatige betekening van het verzoekschrift in cassatie, het Hof het betekeningsexploot slechts nietig zou verklaren indien de belangenschade, erin bestaande geen kennis te hebben kunnen nemen van het verzoekschrift in cassatie en niet de kans te hebben gehad een memorie van antwoord in te dienen, met toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, niet zou kunnen worden hersteld. Bijgevolg mocht de verweerder niet ervan uitgaan dat, bij gebreke van rechtsgeldige betekening van het verzoekschrift in cassatie uiterlijk op 18 mei 2021, het bestreden arrest definitief is geworden. Het middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.
- De verweerder voert een tweede middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: het cassatieberoep is laattijdig aangezien de rechtsgeldige betekening van het verzoekschrift tot cassatie eerst plaats vond op 15 juli 2022 hetzij lang na het verstrijken van de termijn van drie maanden voor het aantekenen van cassatieberoep die een aanvang nam vanaf de betekening van het arrest op 18 februari
- Krachtens artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek maakt de rechter, wanneer hij vaststelt dat de bewezen belangenschade kan worden hersteld, op kosten van de opsteller van de onregelmatige akte, de verwerping van de exceptie van nietigheid afhankelijk van de uitvoering van de maatregelen waarvan hij de inhoud en de termijn waarna de nietigheid zal worden verkregen, bepaalt. Uit deze bepaling volgt dat wanneer de door de rechter opgelegde maatregelen om de belangenschade te herstellen tijdig worden uitgevoerd, de onregelmatige proceshandeling niet nietig wordt verklaard.
- Het Hof heeft bij arrest van 23 juni 2022, met toepassing van artikel 861, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, aan de eisers de mogelijkheid verleend om binnen een termijn van 1 maand ingaand op 29 juni 2022 het verzoekschrift in cassatie, ditmaal op correcte wijze, aan de verweerder te betekenen. De eisers hebben daaraan voldaan door het verzoekschrift in cassatie op 15 juli 2022 rechtsgeldig aan de verweerder te betekenen. Hieruit volgt dat de aanvankelijke, op 16 maart 2021 verrichte betekening van het verzoekschrift in cassatie niet nietig kan worden verklaard en haar gevolgen behoudt. Het cassatieberoep is bijgevolg tijdig. Het middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Gegrondheid Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 17, § 1, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk: 5° de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht. Krachtens artikel 37, eerste en tweede lid, WIB92 worden, onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten. In afwijking daarvan behouden de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in zover zij hoger liggen dan 37.500 euro (te indexeren). Uit de samenhang van deze wetsartikelen volgt dat inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten als roerende inkomsten en niet als baten in de zin van artikel 27, 1°, WIB92 belastbaar zijn en dat dit ook geldt wanneer die cessie of concessie kadert in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten, doch in dat geval slechts indien en in zover zij lager liggen dan of gelijk zijn aan 37.500 euro (te indexeren).
- Krachtens artikel 1, § 1, lid 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, vóór de opheffing ervan door de wet van 19 april 2014, heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren. Krachtens artikel 8, § 1, van diezelfde wet wordt onder werken van letterkunde verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte. Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigde lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek meegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven. Krachtens artikel 2.1 van de Conventie van Bern over de bescherming van werken van letterkunde en kunst omvat de term ‘werken van letterkunde en kunst’ alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale compositie met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen.
- Opdat een werk van letterkunde of kunst auteursrechtelijk beschermd zou zijn, geldt als noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat wordt bewezen dat het werk oorspronkelijk is, in de zin dat het een eigen intellectuele schepping van zijn auteur is, die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije, creatieve keuzes van de auteur bij de totstandkoming van dat werk. Dit veronderstelt, wanneer het een geschrift betreft, dat de auteur vrije en creatieve keuzes heeft kunnen maken wat betreft de woordkeuze, de schikking en de combinatie van de woorden waarmee hij op een oorspronkelijke wijze uitdrukking heeft gegeven aan zijn creatieve geest en tot een resultaat is gekomen dat een intellectuele schepping vormt. Het feit dat een auteur een werk in het kader van zijn beroepsactiviteiten produceert, en daarbij wordt verondersteld de nodige professionele deskundigheid aan de dag te leggen, verhindert als dusdanig niet dat het werk als oorspronkelijk in aanmerking kan komen. Wanneer voor de creatie van een werk technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, heeft dat werk niet de oorspronkelijkheid die vereist is om een auteursrechtelijk beschermd werk te kunnen vormen. Een werk kan daarentegen voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan door technische overwegingen, regels of andere beperkingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet zijn persoonlijkheid in het werk door vrije en creatieve keuzes tot uiting te brengen.
- Krachtens artikel 444, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek oefenen de advocaten vrij hun ambt uit ter verdediging van het recht en van de waarheid. De wetgeving waarmee een advocaat bij het uitoefenen van zijn activiteiten rekening moet houden evenals zijn beroepsdeontologie beletten als dusdanig niet dat de advocaat zijn persoonlijkheid tot uiting kan brengen in sommige werken die hij schrijft door vrije en creatieve keuzes tot uiting te brengen.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - niet op elk intellectueel werk een auteursrecht geldt; - de in de overeenkomst tussen de eiser en diens advocatenkantoor opgesomde handelingen die werken zouden zijn waarop de eiser een auteursrecht heeft, handelingen zijn die kenmerkend zijn voor de professionele activiteit van een advocaat in het algemeen, en die elke advocaat moet geacht worden beroepshalve te kunnen stellen; - de deskundigheid van de advocaat, zonder originaliteit, op zich geen auteursrechtelijke bescherming oplevert; - de activiteiten van de advocaat omkaderd zijn en sterk beperkt door tal van regels die zijn vrijheid en creativiteit aan banden leggen, zoals artikel 744 Gerechtelijk Wetboek wat betreft de structuur van een conclusie, en hij noodzakelijkerwijs dient te presteren rekening houdend met de door hem toe te passen bestaande wetgeving, en zelfs, wat hem persoonlijk betreft, met eerbiediging van zijn beroepsdeontologie; en dat de feiten waarmee de advocaat rekening moet houden, niet het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes; - er geen sprake is van oorspronkelijkheid omdat de feiten, de technische overwegingen, regels of beperkingen geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.
- De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de advocaat bij zijn beroepsuitoefening ‘normaal’ geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes waardoor er geen sprake kan zijn van auteursrechten en van de overdracht ervan en dat de administratie derhalve terecht het standpunt kon innemen dat de door de eiser en zijn medecontractant bedongen vergoeding geen vergoeding was voor overgedragen auteursrechten belastbaar in toepassing van artikel 17, § 1, 5°, en 37, tweede lid, WIB92, maar wel een baat belastbaar in toepassing van artikel 27, 1°, WIB92, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.5 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220623.1N.13 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231208.1F.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div