← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 Rolnummer: P.22.1724.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-03-30 Raadplegingen: 900 - laatst gezien 2026-06-17 20:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 334 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hof van assisen en de gezworenen de voornaamste redenen van de beslissing van de jury formuleren, zonder dat zij moeten antwoorden op alle neergelegde conclusies en aan die verplichting is voldaan wanneer het arrest, ter verantwoording van de beslissing van de gezworenen dat de beschuldigde schuldig is aan opzettelijke doodslag met voorbedachten rade, de redenen vermeldt waarom er, niettegenstaande de precieze doodsoorzaak van het slachtoffer medisch-wetenschappelijk niet kan worden vastgesteld, niet de minste twijfel is dat het slachtoffer door de beschuldigde opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven werd gebracht en elke alternatieve verklaring volkomen onaannemelijk is; de omstandigheid dat hierbij niet wordt vermeld welke precieze geweldpleging de beschuldigde heeft gesteld die de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, doet hieraan geen afbreuk

(1).
(1)Cass. 21 april 2015, AR P.14.1862.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150421.4, AC 2015, nr. 265. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 6 De enkele omstandigheid dat tijdens het debat voor het hof van assisen, waarnaar de beschuldigde is verwezen wegens een welbepaalde misdaad, gegevens aan bod komen over andere strafbare feiten, waarvoor de beschuldigde niet definitief is veroordeeld, en hierover ook stukken aan het strafdossier werden gevoegd, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld van de beschuldigde noch van zijn recht van verdediging, in zoverre door het hof van assisen of door de voorzitter van dat hof niet te kennen wordt gegeven dat die andere feiten bewezen zijn.; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat tegen het vonnis dat de beschuldigde voor die andere feiten veroordeelt hoger beroep werd aangetekend en dit niet-definitieve vonnis aan het strafdossier werd gevoegd
(1).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0579.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19, AC 2022, nr. 315;Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0724.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9, AC 2021, nr. 613, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.22.1724.N I, II en III K. B., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 2 september 2022 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 20 oktober 2022 over de schuld (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 21 oktober 2022 over de straf (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I Artikel 278, §4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen het arrest van de preliminaire zitting geen rechtsmiddel kan worden ingesteld. Bij arrest nr. 119/2022 van 29 september 2022 heeft het Grondwettelijk Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag geoordeeld dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6.1 en 6.3.d EVRM. Hieruit volgt dat het cassatieberoep I ontvankelijk is. Eerste middel Het middel voert schending aan van artikel 334, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: door geen melding te maken van het materieel bestanddeel van de misdaad waaraan de eiser schuldig wordt verklaard, met name van de materiële handeling die tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, miskent het arrest II de motiveringsplicht; het arrest motiveert die schuldigverklaring aan de hand van de relatie tussen de eiser en het slachtoffer, het atypische karakter van de reis naar Londen, het feit dat eisers verhaal bevreemdend wordt bevonden en het louter ondersteunende element van de afgelegde polygraaftest; het arrest laat echter na te vermelden waarom het vaststaat dat de eiser de dader is van de geweldplegingen die de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt en die met dat opzet werden gesteld. Artikel 334 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hof van assisen en de gezworenen de voornaamste redenen van de beslissing van de jury formuleren, zonder dat zij moeten antwoorden op alle neergelegde conclusies. Aan die verplichting is voldaan wanneer het arrest, ter verantwoording van de beslissing van de gezworenen dat de beschuldigde schuldig is aan opzettelijke doodslag met voorbedachten rade, de redenen vermeldt waarom er, niettegenstaande de precieze doodsoorzaak van het slachtoffer medisch-wetenschappelijk niet kan worden vastgesteld, niet de minste twijfel is dat het slachtoffer door de beschuldigde opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven werd gebracht en elke alternatieve verklaring volkomen onaannemelijk is. De omstandigheid dat hierbij niet wordt vermeld welke precieze geweldpleging de beschuldigde heeft gesteld die de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Met de uitgebreide opgave van de redenen van de jury voldoet het arrest II (tweede tot en met het vijfde blad) aan de vereiste om de voornaamste redenen van de beslissing van de jury te formuleren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: door bij de behandeling van de zaak voor het hof van assisen een in Nederland tegen de eiser gevoerde strafprocedure wegens opzettelijke brandstichting in een te […] gelegen woning ter sprake te brengen terwijl het vonnis van de rechtbank te Rotterdam dat de eiser hiervoor veroordeelt niet definitief is en de eiser de desbetreffende feiten in hoger beroep betwist, wordt het vermoeden van onschuld van de eiser miskend, wat een impact heeft op de behandeling van de telastlegging door het hof van assisen, en wordt eisers recht van verdediging miskend; het vonnis dat de eiser wegens opzettelijke brandstichting veroordeelt, werd bij het dossier gevoegd en was op het ogenblik van de behandeling voor het hof van assisen niet definitief; bovendien werd de genaamde Y., die in dit Nederlandse brandstichtingsdossier door de Nederlandse politie als getuige werd verhoord, ook als getuige opgenomen in het arrest I en door het hof van assisen aldus als getuige gehoord; aldus werden er gegevens over het brandstichtingsdossier aan de assisenjury voorgelegd hoewel het vonnis van de rechtbank te Rotterdam niet definitief was en bijgevolg niets kon zeggen over de moraliteit van de eiser. Uit het arrest II blijkt niet dat de gezworenen, bij de beoordeling van de schuldvraag, rekening hebben gehouden met de feiten die het voorwerp uitmaken van het Nederlandse strafonderzoek naar opzettelijke brandstichting. Evenmin blijkt uit het arrest III dat het hof van assisen bij de straftoemeting met die feiten rekening heeft gehouden. In zoverre het middel ervan uitgaat dat bij de beslissing over de schuld en over de straftoemeting rekening werd gehouden met strafbare feiten waarvoor de eiser niet definitief was veroordeeld, mist het feitelijke grondslag. De enkele omstandigheid dat tijdens het debat voor het hof van assisen, waarnaar de beschuldigde is verwezen wegens een welbepaalde misdaad, gegevens aan bod komen over andere strafbare feiten, waarvoor de beschuldigde niet definitief is veroordeeld, en hierover ook stukken aan het strafdossier werden gevoegd, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld van de beschuldigde noch van zijn recht van verdediging, in zoverre door het hof van assisen of door de voorzitter van dat hof niet te kennen wordt gegeven dat die andere feiten bewezen zijn. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat tegen het vonnis dat de beschuldigde voor die andere feiten veroordeelt hoger beroep werd aangetekend en dit niet-definitieve vonnis aan het strafdossier werd gevoegd. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 131,52 euro, waarvan op de cassatieberoepen I, II en III elk 43,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150421.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.