id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Bij het bepalen van conclusietermijnen op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering kan de rechter die aan een partij meerdere conclusietermijnen toekent, bepalen dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van een tegenpartij, teneinde aldus het recht van verdediging van de eerstgenoemde partij maximaal te vrijwaren; de rechter die in dat geval de tijdens de navolgende conclusietermijn neergelegde conclusie uit het debat weert omdat de tegenpartij geen conclusie heeft neergelegd, beperkt hierdoor niet de inhoudelijke draagwijdte van de conclusie van die partij, noch miskent hij hierdoor enig recht van deze laatste
(1).
(1)Cass. 21 november 2017, AR P.17.0777.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.8, AC 2017, nr. 663. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Wanneer de strafrechter geen conclusietermijnen heeft bepaald overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering, kan elke partij een conclusie ter rechtszitting neerleggen tot aan de sluiting van het debat en in dat geval kan de strafrechter die conclusie enkel uit het debat weren wanneer hij oordeelt dat ze misbruik van rechtspleging inhoudt; heeft de rechter daarentegen wel conclusietermijnen bepaald, dan kan hij, behoudens de uitzonderingen bepaald in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, een conclusie uit het debat weren om de enkele reden dat de door hem bepaalde termijn of voorwaarde niet is geëerbiedigd en daarvoor moet de rechter geen procesmisbruik vaststellen
(1).
(1)Cass. 21 november 2017, AR P.17.0777.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.8, AC 2017, nr. 663. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 7 De omstandigheid dat de persoon die de aandelen van een vennootschap heeft overgenomen en werd aangesteld als bestuurder van die vennootschap de waarheid heeft vermomd in de desbetreffend opgestelde stukken omdat hij als stroman in het kader van een valselijk opgezette sterfhuisconstructie, nooit de intentie heeft gehad om werkelijk de vennootschap of het beheer ervan over te nemen, neemt niet weg dat die persoon niettemin de formele hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap had en bijgevolg gehouden was de verplichtingen verbonden aan die hoedanigheid na te leven
(1).
(1)F. VAN VOLSEM, Artikel 489bis, 4°, eerste zin Sw., Strafrecht Duiding Larcier, 2018, randnummer
- Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 213, en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 8 - 9 De persoon die het beheer en de aandelen van een vennootschap overneemt in het kader van een valselijk opgezette sterfhuisconstructie waarvan het doel erin bestaat het faillissement van de vennootschap lang genoeg uit te stellen opdat de band tussen de vorige bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap en het onvermijdelijke faillissement van de vennootschap zou worden verbroken, hoeft voor het bewerkstelligen van dat bedrieglijk opzet niet op de hoogte te zijn van de specifieke financiële toestand van de vennootschap. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 10 - 11 Het misdrijf bepaald in artikel 489bis, 4°, eerste zin, Strafwetboek verplicht de bestuurder van een vennootschap, die de staat van faillissement van die vennootschap vaststelt, daarvan binnen een maand aangifte te doen en die verplichting geldt eveneens voor de bestuurder die de staat van faillissement vaststelt terstond nadat hij het bestuur van de vennootschap heeft overgenomen; de omstandigheid dat het niet naleven van die verplichting een aflopend misdrijf uitmaakt, dat de staat van faillissement reeds bestond vóór de bestuurswissel en dat de vorige bestuurder heeft verzuimd de op hem rustende verplichting te vervullen, impliceert niet dat de nieuwe bestuurder geen hoedanigheid heeft om in de gegeven omstandigheden schuldig te worden bevonden aan het vermelde misdrijf. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 12 - 13 De vaststelling dat er sprake is van een collectief misdrijf dat bestaat uit strafbare feiten die zowel zijn gepleegd vóór als na de datum van het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest dat als grondslag voor de vaststelling van de wettelijke herhaling dient, belet de rechter niet om de staat van wettelijke herhaling vast te stellen voor de feiten die dateren van na deze datum en daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de andere feiten in aanmerking zouden kunnen komen voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 56 en 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 56 en 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1558.N
- A. M. J. V. O., beklaagde,
- N. F. M. V., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 9, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 november
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De eiser 1 heeft geen belang op te komen tegen zijn vrijspraak voor de telastleggingen B.1, B.2 en F.3 en de eiser 2 heeft geen belang op te komen tegen zijn vrijspraak voor de telastleggingen E.1 en E.
- In zoverre gericht tegen die respectieve beslissingen, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 152, § 1, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest weert de syntheseconclusie van de eisers uit het debat omdat de eisers in hun tweede conclusietermijn enkel mochten concluderen om te antwoorden op een conclusie van het openbaar ministerie en het openbaar ministerie geen conclusie heeft neergelegd; de strafrechter kan enkel vaste termijnen bepalen waarbinnen de partijen hun conclusies dienen neer te leggen en mee te delen; die bepaling laat de strafrechter daarentegen niet toe om de inhoudelijke draagwijdte van de conclusies van de procespartijen te beperken, noch om het recht van een procespartij om al dan niet bijkomend te concluderen voorwaardelijk te maken aan het concluderen door een andere partij; een dergelijke beperking is bovendien niet onderworpen aan enig toezicht aangezien er overeenkomstig artikel 152, § 3, Wetboek van Strafvordering tegen een hier bedoelde beslissing geen rechtsmiddel openstaat.
- Overeenkomstig artikel 152, § 3, Wetboek van Strafvordering kan weliswaar geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend tegen de beslissingen bedoeld in de paragrafen 1 en 2 van dat artikel, maar die bepaling belet niet dat een partij in het kader van een hoger beroep of een cassatieberoep tegen een eindbeslissing een schending van artikel 152 Wetboek van Strafvordering aanvoert, die deze eindbeslissing onwettig maakt.
- Bij het bepalen van conclusietermijnen op grond van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering kan de rechter die aan een partij meerdere conclusietermijnen toekent, bepalen dat een navolgende conclusietermijn enkel ertoe strekt te antwoorden op de eventuele conclusie van een tegenpartij, teneinde aldus het recht van verdediging van de eerstgenoemde partij maximaal te vrijwaren. De rechter die in dat geval de tijdens de navolgende conclusietermijn neergelegde conclusie uit het debat weert omdat de tegenpartij geen conclusie heeft neergelegd, beperkt hierdoor niet de inhoudelijke draagwijdte van de conclusie van die partij, noch miskent hij hierdoor enig recht van deze laatste.
- Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest weert de tweede, nochtans tijdig ingediende conclusie van de eisers uit het debat; er bestaat enkel een wettelijke grondslag voor het weren van een conclusie die is ingediend buiten de toegekende conclusietermijn; het arrest stelt ook niet vast dat de tweede conclusie van de eisers een louter dilatoir karakter heeft dan wel dat er sprake is van procesmisbruik en de neerlegging van de conclusie de goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de andere partijen op onrechtmatige wijze in het gedrang brengt en het recht op een eerlijk proces aantast; behoudens in geval van rechtsmisbruik laat het recht van verdediging een partij toe om in een laatste conclusie, waarop een tegenpartij niet meer kan antwoorden, nog vrij nieuwe argumenten bij te brengen.
- Het arrest stelt niet vast dat de eisers in hun uit het debat geweerde syntheseconclusie nieuwe argumentatie hebben bijgebracht. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Wanneer de strafrechter geen conclusietermijnen heeft bepaald overeenkomstig artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering, kan elke partij een conclusie ter rechtszitting neerleggen tot aan de sluiting van het debat. In dat geval kan de strafrechter die conclusie enkel uit het debat weren wanneer hij oordeelt dat ze misbruik van rechtspleging inhoudt. Heeft de rechter daarentegen wel conclusietermijnen bepaald, dan kan hij, behoudens de uitzonderingen bepaald in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, een conclusie uit het debat weren om de enkele reden dat de door hem bepaalde termijn of voorwaarde zoals vermeld in het eerste onderdeel, niet is geëerbiedigd. Daarvoor moet de rechter geen procesmisbruik vaststellen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel van de eisers Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers schuldig aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken omdat er sprake is van een waarheidsvermomming met betrekking tot het ontslag van de eiser 1 en de benoeming van de eiser 2 als zaakvoerder of bestuurder van de vennootschappen A.I.I. en A.I. (telastleggingen A.3 en A.4) en met betrekking tot de overdrachten van de aandelen van deze vennootschappen (telastleggingen A.5 en A.6); het is tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat de benoemingsbesluiten waarmee de eiser 2 als zaakvoerder of bestuurder van deze vennootschappen werd aangesteld vals zijn in de zin dat die aanstelling als bestuurder niet met de werkelijkheid overeenstemt, en, anderzijds, dat de eiser 2 beschikt over de hoedanigheid van ‘bestuurder in rechte’ vereist voor de schuldigverklaring aan de telastleggingen D.2 en D.4 en de hoedanigheid van ‘bestuurder, zaakvoerder’ vereist voor de schuldigverklaring aan de telastleggingen F.2, F.4, G.2 en G.
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de persoon die de aandelen van een vennootschap heeft overgenomen en werd aangesteld als bestuurder van die vennootschap de waarheid heeft vermomd in de desbetreffend opgestelde stukken omdat hij als stroman in het kader van een valselijk opgezette sterfhuisconstructie nooit de intentie heeft gehad om werkelijk de vennootschap of het beheer ervan over te nemen en, anderdeels, dat die persoon niettemin de formele hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap had en bijgevolg gehouden was de verplichtingen verbonden aan die hoedanigheid na te leven. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds steunt het arrest de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen A.3, A.4, A.5 en A.6 op het oordeel dat de overdracht van de aandelen van de eiser 1 in de vennootschappen A.I.I. en A.I. aan de eiser 2 fictief is; anderzijds oordeelt het dat die overdracht effectief heeft plaatsgevonden; die redenen zijn tegenstrijdig.
- De werkelijke overname van de aandelen van een vennootschap veronderstelt dat die overname beantwoordt aan enige economische realiteit. Het arrest oordeelt dat dit niet het geval is aangezien de eiser 2 nooit de intentie heeft gehad om actief te worden via de vennootschappen A.I.I. en A.I. en hij de aandelen van die vennootschappen enkel heeft overgenomen in het kader van een sterfhuisconstructie, in het bijzonder om de band tussen de eiser 1 en de faillissementen van die vennootschappen te verbreken. Die redenen, waaruit het fictieve karakter van de overdracht van de aandelen blijkt, zijn niet tegenstrijdig met het feit dat de eiser 2 die aandelen effectief heeft overgenomen van de eiser
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eisers
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest leidt enerzijds het fictieve karakter van de in de telastleggingen A.3, A.4, A.5 en A.6 bedoelde feiten af uit het gebrek aan kennis van de eiser 2 van de activa, passiva en schulden van de vennootschappen A.I.I. en A.I.; het oordeelt anderzijds dat de eiser 2 bedrieglijk heeft verzuimd tijdig aangifte te doen van het faillissement van deze vennootschappen, zoals op grond van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek vereist voor de schuldigverklaring aan de telastleggingen D.2 en D.4; dat misdrijf vereist dat de bestuurder op de hoogte is van het bestaan van de toestand van faillissement, wat inherent veronderstelt dat hij op de hoogte is van de boekhouding, activa, passiva en schulden; aldus zijn de redenen van het arrest tegenstrijdig.
- De persoon die het beheer en de aandelen van een vennootschap overneemt in het kader van een valselijk opgezette sterfhuisconstructie waarvan het doel erin bestaat het faillissement van de vennootschap lang genoeg uit te stellen opdat de band tussen de vorige bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap en het onvermijdelijke faillissement van de vennootschap zou worden verbroken, wat het arrest vaststelt, hoeft voor het bewerkstelligen van dat bedrieglijk opzet niet op de hoogte te zijn van de specifieke financiële toestand van de vennootschap. Aldus zijn de vermelde redenen van het arrest niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiser 2
- Het middel voert schending aan van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser 2 schuldig aan de telastleggingen D.2 en D.4; artikel 489bis, 4°, eerste zin, Strafwetboek is een aflopend misdrijf dat is voltooid één maand en één dag na de vastgestelde datum van staking van betaling; dit misdrijf vereist bijgevolg de hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op enig moment tijdens die periode van één maand; een persoon die slechts nadien werd aangesteld als bestuurder, zoals de eiser 2, kan aldus niet schuldig zijn aan dat misdrijf, zelfs al was het faillissement op de datum van die aanstelling nog niet uitgesproken en heeft ook die persoon geen aangifte van het faillissement gedaan.
- Het misdrijf bepaald in artikel 489bis, 4°, eerste zin, Strafwetboek verplicht de bestuurder van een vennootschap, die de staat van faillissement van die vennootschap vaststelt, daarvan binnen een maand aangifte te doen. Die verplichting geldt eveneens voor de bestuurder die de staat van faillissement vaststelt terstond nadat hij het bestuur van de vennootschap heeft overgenomen. De omstandigheid dat het niet naleven van die verplichting een aflopend misdrijf uitmaakt, dat de staat van faillissement reeds bestond vóór de bestuurswissel en dat de vorige bestuurder heeft verzuimd de op hem rustende verplichting te vervullen, impliceert niet dat de nieuwe bestuurder geen hoedanigheid heeft om in de gegeven omstandigheden schuldig te worden bevonden aan het vermelde misdrijf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel van de eiser 2
- Het middel voert schending aan van de artikelen 56, tweede lid, en 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt op grond van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 31 mei 2018 dat de eiser 2 zich in staat van wettelijke herhaling bevindt met betrekking tot alle vermengde feiten waaraan het hem schuldig verklaart, dit zijn de feiten van de telastleggingen A.3, A.4, A.5, A.6, D.2, D.4, F.2, F.4, G.2 en G.3; enkel de feiten van de telastleggingen A.4 en F.4 dateren echter van na de datum van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis van 31 mei 2018; het arrest stelt bij de eiser 2 dan ook ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast met betrekking tot de feiten van de telastleggingen A.3, A.5, A.6, D.2, D.3, F.2, G.2 en G.3, die volledig dateren van vóór die datum en het gaat voor wat betreft die telastleggingen ten onrechte niet na of er aanleiding is om toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek.
- De vaststelling dat er sprake is van een collectief misdrijf dat bestaat uit strafbare feiten die zowel zijn gepleegd vóór als na de datum van het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest dat als grondslag voor de vaststelling van de wettelijke herhaling dient, belet de rechter niet om de staat van wettelijke herhaling vast te stellen voor de feiten die dateren van na deze datum. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de andere feiten in aanmerking zouden kunnen komen voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek.
- Wanneer de rechter oordeelt dat de feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart, voortspruiten uit eenzelfde opzet als bedoeld in artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, legt hij aan die beklaagde één straf op, namelijk de zwaarste. Dit is in het vermelde geval de straf met inachtneming van de staat van wettelijke herhaling bij de beklaagde.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 305,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 28 maart 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div