← België

BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra VAN DER WAL nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.2 Rolnummer: F.22.0007.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra VAN DER WAL nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-04-25 Raadplegingen: 908 - laatst gezien 2026-06-15 08:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.2 Fiche Op grond van de vaststelling dat “de Felt-prijslijst vanaf 15 juli 2009 vermeldt dat FELT GmbH geen enkele verantwoordelijkheid neemt m.b.t. de juistheid en geldigheid van de certificaten van oorsprong formulier A, die op verzoek van de koper via de fabrikanten in Cambodja kunnen worden afgegeven”, mocht de importeur, die geen contractuele band had met de Cambodjaanse leveranciers van Felt GmbH, daar terecht uit afleiden dat vóór 15 juli 2009 FELT GmbH instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A en heeft hij te goeder trouw gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse douane-autoriteiten redelijkerwijs niet kunnen ontdekken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 220, tweede lid,
  1. b)- 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0007.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van Douane en Accijnzen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. VAN DER WAL nv, met zetel te 2627 Schelle, Brandekensweg 92, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.994.794, eerste verweerster, 2. KUEHNE + NAGEL nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Borsbeeksebrug 30, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.531.966, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de tweede verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 mei 2021. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 28 december 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Artikel 220 CDW bepaalt: “1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd. 2. Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer: (…)
  2. b)het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. (…) De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden. (…)” 2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt bij arrest van 16 maart 2017 (C-47/16, Veloserviss SIA, r.o. 37 e.v.) dat: - de ondernemers, in geval van twijfel over de juiste toepassing van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering een douaneschuld kan doen ontstaan of over de vaststelling van de oorsprong van de goederen, zich dienen te informeren en de zaak zo grondig mogelijk dienen te onderzoeken om na te gaan of die twijfels terecht zijn; - de marktdeelnemers in het kader van hun contractuele relaties de nodige voorzorgen dienen te nemen om zich tegen de risico’s van een procedure tot navordering te beschermen, en dat een dergelijk preventief optreden met name erin kan bestaan dat de belastingschuldige bij of na het sluiten van de overeenkomst, van de andere contractpartij alle bewijzen verkrijgt die bevestigen dat de goederen van oorsprong waren uit een door het stelsel van algemene tariefpreferenties begunstigd land, met inbegrip van de documenten die deze oorsprong vaststellen; - hieruit echter nog geen algemene verplichting volgt ten laste van de importeur om systematisch de omstandigheden te controleren waaronder de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer een certificaat van oorsprong “formulier A” hebben afgegeven, met inbegrip van de rol van de exporteur bij de vervaardiging van de goederen; - een dergelijke verplichting slechts op de importeur rust wanneer er duidelijke redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van een certificaat van oorsprong. Bij arrest van 26 oktober 2017 (C-407/16, Aqua Pro, r.o. 85) oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de voornoemde beginselen evenzeer gelden in een situatie als die van het hoofdgeding, waarin een importeur geen rechtstreekse contractuele band heeft met de exporteur van de betrokken goederen omdat hij deze goederen invoert op grond van een distributieovereenkomst met een derde. 3. De appelrechters stellen vast dat: - de tweede verweerster in 2008 en 2009, in opdracht en voor rekening van de eerste verweerster, aangiften deed voor het in het vrij verkeer brengen in de Europese Unie van fietsen, met als land van oorsprong Cambodja; - de eerste verweerster deze fietsen in het kader van een distributieovereenkomst rechtstreeks kocht van de Duitse onderneming Felt GmbH; - voor de aangifte van de fietsen gebruik werd gemaakt van een certificaat van oorsprong “formulier A” dat door de Cambodjaanse autoriteiten was afgegeven in het kader van het stelsel van algemene tariefpreferenties, waardoor het preferentieel nultarief werd toegepast en geen douanerechten en btw werden betaald; - de eiser op 19 januari 2011 lastens beide verweersters invoerrechten navorderde voor een bedrag van 15.419,27 euro in hoofdsom en 3.238,05 euro btw, en daarbij verwees naar de resultaten van een onderzoek naar de oorsprong van fietsen uit Cambodja waaruit bleek dat de werkelijke oorsprong van de fietsen mogelijk China of Vietnam was, zodat geen toepassing kon worden gemaakt van het nultarief van invoerrechten. Vervolgens oordelen de appelrechters dat: - niet betwist is dat de Felt-prijslijst vanaf 15 juli 2009 vermeldt dat Felt GmbH geen enkele verantwoordelijkheid neemt met betrekking tot de juistheid en geldigheid van de certificaten van oorsprong formulier A, die op verzoek van de koper via de fabrikanten in Cambodja kunnen worden afgegeven; - de eerste verweerster, die geen contractuele band had met de Cambodjaanse leveranciers van Felt GmbH, daar terecht mocht uit afleiden dat “vóór 15 juli 2009” Felt GmbH instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A; - wat betreft de vermelding van de code W, die aangeeft dat de goederen werden gemaakt uit onderdelen die niet uit Cambodja komen, en de vermelding “ASEAN cumulation” op de certificaten van oorsprong formulier A, volgt uit de beschikking REC 01/2011 van de Europese Commissie dat niet het gebruik van onderdelen ingevoerd uit andere Asean-landen problematisch was, dan wel het feit dat de Asean-oorsprong werd aangetoond aan de hand van formulieren B of D in plaats van certificaten van oorsprong formulier A. 4. Door op die gronden te oordelen dat de eerste verweerster te goeder trouw heeft gehandeld en de vergissing van de Cambodjaanse douaneautoriteiten redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Op grond van de vaststelling dat “de Felt-prijslijst vanaf 15 juli 2009 vermeldt dat FELT GmbH geen enkele verantwoordelijkheid neemt m.b.t. de juistheid en geldigheid van de certificaten van oorsprong formulier A, die op verzoek van de koper via de fabrikanten in Cambodja kunnen worden afgegeven” konden de appelrechters, zonder miskenning van het wettelijk begrip feitelijk vermoeden, oordelen dat “vóór 15 juli 2009 de klanten van FELT GmbH ervan mochten uitgaan dat deze instond voor de juistheid en regelmatigheid van de certificaten van oorsprong formulier A”. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 6. Voor het overige is het onderdeel hieruit afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 7. De appelrechters stellen vast dat de beschikking REC 01/2011 een “met de onderhavige zaak feitelijk vergelijk[baar] dossier” betreft. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters aangaven dat onderhavige zaak verschilde van de Finse zaak die het voorwerp uitmaakt van de bedoelde beschikking, mist feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 550,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.2 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.