← België

COSMIDENT contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.8 Rolnummer: F.22.0110.N Zaak: COSMIDENT contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-04-25 Raadplegingen: 964 - laatst gezien 2026-06-15 08:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.8 Fiche Wanneer de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling van artikel 194ter WIB92, nalaat de in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB92 bedoelde documenten over te leggen binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk en deze documenten niet bij de aangifte voegt, en de administratie niet omwille daarvan binnen de termijn van artikel 354, eerste lid, eerste zin, WIB92 overgaat tot taxatie van de door de vennootschap vrijgestelde winst als winst van dat belastbaar tijdperk, ontneemt dat de administratie niet de mogelijkheid om, wanneer de vennootschap vervolgens de in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB92 vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk verkrijgt, de door de vennootschap vrijgestelde winst alsnog te belasten als winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt, binnen de termijn van artikel 354, eerste lid, eerste zin, WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 194ter - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0110.N COSMIDENT bv, met zetel te 2500 Lier, Berlarij 57, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0477.203.970, eiseres, met als raadsman mr. Vincent Vercauteren, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen, Grote Steenweg 214/4, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 20, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 september
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 3 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel
  2. Krachtens artikel 194ter, § 2, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing, wordt, ten name van de vennootschap die geen in aanmerking komende productievennootschap of televisieomroep is, die in België een raamovereenkomst sluit voor de productie van een in aanmerking komend werk, de belastbare winst binnen de gerezen en onder de in dat artikel gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 pct., hetzij van de sommen die werkelijk door de vennootschap betaald zijn ter uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij van de sommen waarvoor de vennootschap zich heeft verbonden deze te storten in het kader van de raamovereenkomst.
  3. Krachtens artikel 194ter, § 4, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing, wordt de vrijstelling slechts verleend en behouden wanneer: 6° de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling een afschrift van de raamovereenkomst, alsmede een document waarin de betrokken Gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een in aanmerking komend werk als bedoeld in § 1, eerste lid, 3°, overlegt binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en deze documenten bij de aangifte voegt; 7° de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de aanslagdienst waarvan de productievennootschap van het in aanmerking komend werk afhangt uiterlijk binnen de vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst enerzijds, verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 3° en 4°, voor de in de raamovereenkomst bepaalde doeleinden door de productievennootschap, alsmede de bij de bepalingen onder 4° en 5° bepaalde voorwaarden en grenzen zijn nageleefd en, anderzijds, dat de vennootschap die aanspraak maakt op de toekenning en het behoud van de vrijstelling de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde sommen werkelijk heeft betaald aan de productievennootschap binnen een termijn van achttien maanden die aanvangt op de datum waarop de raamovereenkomst gesloten is; 7°bis de vennootschap die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling een document overlegt waarin de betrokken Gemeenschap uiterlijk binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst bevestigt dat de productie van het werk is voltooid en dat de globale financiering van het werk overeenkomstig dit artikel met naleving van de in 4° bepaalde voorwaarden en grenzen is uitgevoerd. Krachtens artikel 194ter, § 4, tweede lid, WIB92, zoals van toepassing, wordt, in geval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. In geval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.
  4. Krachtens artikel 354, eerste lid, WIB92 mag bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is.
  5. Wanneer de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling van artikel 194ter WIB92, nalaat de in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB92 bedoelde documenten over te leggen binnen de termijn die bepaald is voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk en deze documenten niet bij de aangifte voegt en de administratie niet omwille daarvan binnen de termijn van artikel 354, eerste lid, eerste zin, WIB92 overgaat tot taxatie van de door de vennootschap vrijgestelde winst als winst van dat belastbaar tijdperk, ontneemt dat de administratie niet de mogelijkheid om, wanneer de vennootschap vervolgens de in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB92 vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk verkrijgt, de door de vennootschap vrijgestelde winst alsnog te belasten als winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt, binnen de termijn van artikel 354, eerste lid, eerste zin, WIB
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - voor de investeringen verricht door de eiseres blijkt dat er geen attest werd afgeleverd door de bevoegde aanslagdienst binnen de vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst; - door de bevoegde controle vennootschappen of door de bevoegde dienst ‘cel Tax Shelter’ voor de film ‘Killing Season’ geen fiscaal attest bedoeld in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB92 werd afgeleverd; - de belastingadministratie op 15 juni 2015 besloot om het op basis van artikel 194ter WIB92 aangevraagde attest met betrekking tot de film ‘Killing Season’ niet af te leveren, de vordering in rechte ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij vonnis van 28 oktober 2016 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, toelaatbaar maar ongegrond werd verklaard en het hoger beroep tegen dit vonnis bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2018 ontoelaatbaar werd verklaard; - in afwezigheid van het bij artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB92 vereiste attest de in hoofde van de belastingplichtige investeerder voorheen vrijgestelde winst op grond van artikel 194ter, § 4, tweede lid, WIB92 wordt aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstreek en dit in voorliggend geval het belastbaar tijdperk van aanslagjaar 2015 was; - wanneer het fiscaal attest conform artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB92 niet wordt afgeleverd, zoals te dezen, de investeerder zijn voorlopige vrijstelling dient terug te nemen; - de eiseres ondanks het ontbreken van het vereiste eindattest in haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2015 echter ten onrechte de begintoestand van haar reserves heeft aangepast, waardoor ze de tijdelijke vrijstelling heeft omgezet in een definitieve vrijstelling; - de administratie dan ook gerechtigd was om de aangifte waarin de verhoging werd doorgevoerd, te betwisten en de belasting te vestigen binnen een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting verschuldigd is; - te dezen de betwiste aanlag voor aanslagjaar 2015 op 11 december 2017 gevestigd werd, dit is binnen de termijn voorzien in artikel 354, eerste lid, WIB92; - uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat de administratie in de te dezen gegeven omstandigheden het recht zou verloren hebben om de betwiste aanslag voor aanslagjaar 2015 te vestigen overeenkomstig artikel 194ter, § 4, tweede lid, WIB92, namelijk bij het verstrijken van de vierjarige termijn in geval van ontbreken van het vereiste fiscale attest; - de eiseres de tax shelter-vrijstelling tijdelijk en voorlopig heeft verwerkt in haar boekhouding vanaf aanslagjaar 2011 en deze vrijstelling heeft behouden gedurende de volgende aanslagjaren, de eiseres zelf een beroep heeft gedaan op het gunstregime opgenomen in artikel 194ter WIB92 door de vrijstelling op te nemen, zij klaarblijkelijk zelf van mening was dat het een kwalificerende tax shelter-investering betrof en zij dan ook de gevolgen dient te dragen van het feit dat aan de voorwaarden niet is voldaan; - de eiseres uit het oog verliest dat zijzelf de begintoestand van haar reserves in kalenderjaar 2014 heeft aangepast, teneinde de tax shelter-vrijstelling definitief op te nemen in haar aangifte voor aanslagjaar 2015, ondanks het ontbreken van het vereiste fiscale eindattest, en de betwiste aanslag dan ook niets te maken heeft met het uitvoeren van een beweerdelijk keuzerecht betreffende het belastbaar tijdstip door de belastingadministratie; - het louter gegeven dat op het ogenblik van de opname door de eiseres van de tijdelijk vrijgestelde winst in haar aangifte voor aanslagjaar 2011, de raamovereenkomst niet was gevoegd, geen overzicht bevatte zoals vereist bij artikel 194ter, § 5, 3° en 5°, WIB92 en het feit dat de belastingadministratie deze aangiftes niet heeft gewijzigd, niet belet dat de administratie de vaststelling van de inkomsten voor de volgende aanslagjaren, meer bepaald te dezen aanslagjaar 2015 zou kunnen betwisten; - het eindattest in de zin van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 7°, WIB92 ontbrak in het belastbaar tijdperk met betrekking tot aanslagjaar 2015 tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstreek voor de raamovereenkomst afgesloten op 30 december 2010 en dit de belastbaarheid in dat tijdperk tot gevolg heeft, zijnde het belastbaar tijdperk voor aanslagjaar 2015; - de belastingadministratie zich te dezen gehouden heeft aan de controle- en aanslagtermijnen die van openbare orde zijn.
  7. Op die gronden verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 194ter, § 4, eerste lid, 6°, en 354, eerste lid, WIB92, kan het niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 360 WIB92, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 194ter, § 4, eerste lid, 6°, en 354, eerste lid, WIB92 en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel dat schending aanvoert van artikel 194ter, § 4, tweede lid, tweede zin, WIB92 is geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 194ter, § 4, eerste lid, 6°, en 354, eerste lid, WIB92 en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  10. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - uit geen enkel van de voorgelegde gegevens blijkt dat reeds in enig belastbaar tijdperk vóór dat van aanslagjaar 2015 kon worden vastgesteld dat de raamovereenkomst niet conform artikel 194ter WIB92 zou zijn; - de daartoe vereiste documenten niet bij de aangifte waren gevoegd; - artikel 194ter, § 4, eerste lid, 3°, WIB92 beoogt om de minimale bewaartermijn van de schuldvorderingen en eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten of de uitvoering van de raamovereenkomst voor het behoud van de vrijstelling vast te stellen; - artikel 194ter, § 5, 3° en 6°, WIB92 om die reden preciseert dat de raamovereenkomst de volgende verplichte vermeldingen moet bevatten: het totaal van de met toepassing van artikel 194ter, § 2, WIB92 aangewende sommen evenals de juridische vorm, met name een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke investeerder en leninggever die de raamovereenkomst heeft afgesloten en de overeengekomen wijze waarop de aangewende bedragen worden vergoed, naargelang van hun aard, bij de uitvoering van de overeenkomst; - het slechts gedurende het onderzoek met het oog op het al dan niet toekennen van het fiscaal attest zoals bedoeld in artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB92 is dat het volledige dossier door Corsan nv werd voorgelegd; - er voorafgaand geen, minstens onvoldoende stukken werden voorgelegd aan de belastingadministratie om een inhoudelijke controle aan te vatten; - uit de bepaling van artikel 194ter, § 4, eerste lid, 5°, WIB92 blijkt dat de voorwaarde betrekking heeft op het totaal van de relevante sommen in de vorm van leningen en niet op een lening door één bepaalde investerende vennootschap; - de verweerder terecht opwerpt dat hij pas in 2015 over de nodige documenten beschikte en het tax shelter-attest na onderzoek door de controle Antwerpen vennootschappen 10 op 15 juni 2015 werd geweigerd; - ook de voorwaarden gesteld bij artikel 194ter, § 4, eerste lid, 4°, WIB92 moeten worden geverifieerd, rekening houdend met het geheel van de afgesloten raamovereenkomsten met het oog op de financiering van eenzelfde audiovisueel werk, en het niet blijkt dat de overschrijding van de 50 pct.-voorwaarde reeds in 2013 kon worden vastgesteld, aangezien het finaal totaal budget en de onderliggende stukken door Corsan nv in 2015 aan de belastingadministratie werden bezorgd; - of de betrokken voorwaarden geschonden werden, enkel kon blijken uit een grondig onderzoek van het dossier van de productiemaatschappij, aangezien het al dan niet verkrijgen van de attesten afhankelijk is van de wijze van uitvoering van de raamovereenkomst en de definitieve vrijstelling precies afhangt van de aflevering van de eindattesten; - de eiseres onvoldoende aantoont dat het niet voldaan zijn van bepaalde voorwaarden reeds door de belastingadministratie vóór aanslagjaar 2015 kon worden vastgesteld.
  11. Aldus oordelen de appelrechters, waar zij overwegen dat de eiseres onvoldoende aantoont dat het niet voldaan zijn van bepaalde voorwaarden door de belastingadministratie reeds vóór aanslagjaar 2015 kon worden vastgesteld, dat de belastingadministratie, bij gebrek aan voorlegging van de raamovereenkomst door de eiseres, pas voor het eerst naar aanleiding van de aanvraag in 2015 van het fiscaal attest in de zin van artikel 194ter, § 4, eerste lid, 7°, WIB92 kon vaststellen dat de raamovereenkomst niet aan de inhoudelijke voorwaarden van artikel 194ter, § 5, 3° en 6°, WIB92 voldeed en dat het pas voor het eerst op dat ogenblik was dat de belastingadministratie kon vaststellen dat de voorwaarden vervat in de artikelen 194ter, § 4, eerste lid, 4° en 5°, WIB92 niet werden nageleefd. Zij oordelen niet dat de eiseres onvoldoende aantoont dat de schending van het vereiste van artikel 194ter, § 4, eerste lid, 6°, WIB92, zijnde het niet-voegen door de eiseres bij haar aangifte in de inkomstenbelasting van de raamovereenkomst, door de belastingadministratie reeds vóór aanslagjaar 2015 kon worden vastgesteld. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 622,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.